Het is eigenlijk ongelooflijk hoeveel onkunde er nog altijd in de sportwereld zit. Neem een training. Vele clubs, maar ook individuele sporters voeren dat helemaal verkeerd uit. En wist u dat Louis van Gaal het later zo succesrijke Ajax in eerste instantie zijn manschappen in de voorbereiding ook zomaar het bos in stuurde? Jos Geijsel kent nog veel meer voorbeelden. De topfysioloog uit Ouderkerk aan de Amstel vertelt en geeft tips. Aan u de keuze.

Jos Geijsel, lid van de technische staf van Ajax.

Geijsel weet als geen ander dat vele trainers, van de amateurs tot aan de top, in de voorbereiding van het seizoen nog vele fouten maken. Met de kans op onder- of overtraindheid en ernstige blessures als gevolg. Geijsel: “Wat velen vergeten is dat het lichaam van een sporter na de vakantie nog in de parkeerstand staat. Of dat nou bij een voetballer van PSV, een van RKAVIC of een hockeyer is. De kunst van de trainer is dan gedempt te beginnen, vooral niet van dik hout zaagt men planken van start gaan. Je moet waken voor overbelasting. Als je in deze weken 20 kikkersprongen gaat doen, dan zitten je spieren de rest van de week vast. In deze periode van één, twee weken moet je juist aan je balvaardigheid werken.”

Wie kent niet de beruchte verhalen van de voorbereidingen met de eindeloze bostrainingen? Zelfs Louis van Gaal begon er indertijd bij Ajax mee. Het was hem aangeleerd op de KNVB-opleiding. “Maar een spier bestaat uit snelle en langzame spiervezels,” aldus Geijsel. Bij duurtrainingen, zoals in het bos, train je de langzame vezels, waar je bij wedstrijden juist de snelle nodig hebt. We hebben toen snel de bostrainingen in het Amsterdamse bos afgeschaft. Na overleg met Bobby Haarms, de hersteltrainer die toen ook al jarenlang op dezelfde manier trainde, hebben we toen besloten de boel te combineren: na flitsend, intensieve oefeningen sjokken naar volgende. Dat was voor Van Gaal ook een revolutie.”

Jos Geijsel, met naast hem Dennis Bergkamp, was ooit ook in dienst van het Nederlands elftal.

In 1996 werd Geijsel aangesproken door Ron Zwerver. De topvolleyballer zat met de andere lange mannen van het beroemde Amstelveense Bankrasmodel midden in de de voorbereiding richting de Olympische Spelen. Trainer Arie Selinger joeg zijn manschappen drie keer per week op en neer langs de Bosbaan. Zwerver snapte dat niet, hij voelde telkens andere spieren. Geijsel legde de staf van de nationale ploeg uit hoe het beter kon; het eindeloze lopen werd onmiddellijk afgeschaft.

De topfysioloog: “Bij de zwembond, hockey, waterpolo, wielrenners; bepaalde trainingen zitten zo in hun cultuur ingebakken dat je het er maar moeilijk uitkrijgt. Bij waterpolo moeten ze nog steeds kilometers zwemmen, maar het is geen ‘longdistance club’. Al sinds 1990 volg ik het hockey – Geijsel was onder andere trainer bij de nationale hockeybond – maar voordat het daar was doorgedrongen… Gelukkig trainen ze nu met behulp van de 23-meterlijn, dan sprinten ze met de shuttlerun telkens op en neer. Dat is prima.”

Pas een paar weken na de eerste voorbereiding komt de wat zwaardere fysieke arbeid, die je van week tot week laat verder laat ingroeien. Daarna vraagt het lichaam herhaald onderhoud. Het lichaam past zich immers snel aan als dat onderhoud wegebt. Geijsel: “Bij hockey of voetbal zie je dat de trainer het fysieke onderhoud met een half uurtje per week afkoopt. De spelers zijn tegen de winterstop of einde van het seizoen aan moe, maar je wordt pas moe als je het erover hebt. Het gaat dan in de koppies van de jongens zitten. Onderhoud is heel belangrijk. Bij teamsporten is het de kunst om tegen de winterstop of het einde van het seizoen iedere keer een andere partijvorm te kiezen; dat is voor de spelers de ‘trigger’ die hen alert houdt. De oefeningen moeten niet de kern zijn, wél de partijvormen. Laat ze maar eens met een breder of langer veld spelen, of vijf tegen vier.”

Geijsel is zelf ook heel actief. Hier staat hij bovenop de beruchte Mont Ventoux.

Hij vergelijkt het met tandenpoetsen. Iedere dag een kwartier trainen is beter dan één maal per week heel lang trainen. Maar dan ook intensief, zo scherp als de partijtjes indertijd onder de zo succesvolle Ajax-trainer Rinus Michels waren. Met vaak aan de bal komen en niet die zogenaamde ‘bushalte-oefeningen’ waar je maar eens in de paar minuten aan de beurt komt. In de vijftien jaar dat Geijsel bij Ajax zat, zijn de doorstroomoefeningen volledige geïntegreerd. De Ouderkerker heeft vele trainers meegemaakt.

“Wat ik heel veel zie, is dat trainingen maar duren en duren. Trainers morsen veel tijd met ballen rapen en in een laag tempo trainen. Beter is je training te comprimeren tot anderhalf uur. Het systeem in het betaald voetbal bewijst dat ook. In een sportschool zou ik vijfenveertig, vijftig minuten intensief trainen adviseren. Dat is beter dan eindeloos rondhangen en slap trainen.”