Tonnie Niessen nu…

Door: Tonnie Niessen

Maandag 19 mei 1975 zal ik nooit vergeten. Het was de slotdag van het Blauw Wit Pinkstertoernooi en als afsluiter zaten we met de selectie van Blauw Wit bij de Chinees op de hoek van het Stadionplein een hapje te eten. Volgens mij werden we achtste en verloren we op de slotdag van Bristol City. Ik hield een goed gevoel aan het toernooi over en had vijf van de zes wedstrijden in de basis gestaan.

Tijdens het eten kwam mijn vader lichtelijk opgewonden binnen en vroeg of ik even tijd had. Buiten de eetzaal hoorde ik dat hij gesproken had met Dé Stoop en dat de voorzitter van FC Amsterdam mij aan de C-selectie wilde toevoegen. Het jaar daarvoor had ik op het Pinkstertoernooi tegen Jong FC Amsterdam gespeeld en toen was de grote man achter ‘De Lieverdjes’ van mij gecharmeerd geraakt. Bij de ‘FC’ stonden een jaar eerder Gerard van der Lem, Cor Swerissen, Tom Dekker, Cees van Veenendaal en Nico Jansen in de opstelling. Als spits had vooral Jansen de reputatie dat hij het duel met doelverdedigers nooit uit de weg ging. Prompt vielen er die wedstrijd twee ballen tussen de laatste lijn en mijn doel waardoor ik, keeper, oog in oog met hem kwam te staan. Zonder aarzelen stortte ik me voor zijn voeten, en de manier waarop hij keurig over mij heen sprong maakte grote indruk op me. Zelfs een tirade van zijn trainer Pim van de Meent dat hij zijn poot in het duel moest zetten knipoogde hij weg. FC Amsterdam won terecht met 2-0 en met een arm over mijn schouder van Nico Jansen liep ik tevreden van het veld. Ik keek letterlijk en figuurlijk tegen hem op.

Dé Stoop zag het wel in mij zitten, maar de trainers Van de Meent en Bruins Slot adviseerden hem om mij eerst nog een jaar te volgen bij Blauw Wit. En zo geschiedde. Een dozijn maanden later vond Stoop het tijd om dat “kleine, brutale, fanatieke keepertje” aan de C-selectie toe te voegen. Voor een appel en een ei ging ik als vierde keeper naar FC Amsterdam. Trainen met Jan Jongbloed, Frits Flinkevleugel, Heini Otto, Tjeerd Koopman, Theo Husers, Gerard van der Lem, Abe van den Ban, Leen van de Merkt, André Wetzel, Dries Boszhard en Nico Jansen; en droom kwam uit. Met Flinkevleugel en Jongbloed had mijn vader nog bij DWS gespeeld. Nu, jaren later, stonden ze ineens met Niessen junior onder de douche.

FC Amsterdam met bovenste rij van links naar rechts: Pim van de Meent, verzorger Gijs van de Bildt, Heini Otto, Leo de Leeuw, Willy van Bommel, Mario Folkertsma, Cor Swerissen, Tom Dekker, Martin Wiggemansen en Tonnie Bruins Slot
Onderste rij van links naar rechts: Cees van Veenendaal, Olaf Boon, Milco Velder, Tonnie Niessen, Peter Smits, Henk Wisman, André Hazert en materiaalman ome Jan Wieseman.

Begin juni mocht ik naar de sportzaak van Smit-Cruyff om drie paar Puma schoenen en twee paar keepershandschoenen uit te zoeken. Een week later begon de voorbereiding op het seizoen. In een vakje met mijn naam erop lag mijn trainingskleding klaar. Geweldig! De eerste training was in het Olympisch Stadion, een training met veel meters op de sintelbaan en tussendoor nog wat oefeningen met de bal. Hans Suiker, Mario Folkertsma en mijn persoontje waren de drie aanwezige keepers, want Jan Jongbloed was nog op vakantie. Kapot ging ik na de training naar binnen, en alsof het de gewoonste zaak van de wereld was stapte ik na het douchen samen met de grote namen uit die tijd in het bubbelbad. “Goed voor je spieren, Ton,” merkte Leen van de Merkt op. En als een gearriveerd speler dat tegen je zegt, volg je zo’n advies blindelings op.

Heerlijk was het. De eerste tien dagen was het trainen, trainen en nog eens trainen. Daarna volgde een uitwedstrijd tegen CF Belenenses voor de Intertotocompetitie. FC Amsterdam was ingedeeld in een poule met de Portugezen, BK Kopenhagen en Spartak Trnava. De dag voor vertrek liep ik na de training door de gang en zag ik een paar spelers naar een lijst kijken die daar hing. André Hazert draaide zich om en stak zijn duim omhoog. “Gefeliciteerd,” Ton. Ik begreep niet wat hij bedoelde en ging zelf maar even op de lijst kijken. En daar stond het; Doelverdedigers: Hans Suiker en Tonnie Niessen. Als vierde keeper aangetrokken voor de C-selectie en na tien dagen trainen toch maar mooi met het eerste team mee naar Portugal!

De wedstrijd ging met 1-0 verloren en Suiker keepte een prima partij. Terug in Amsterdam was het weer keihard trainen en een week later stond de thuiswedstrijd tegen KB Kopenhagen op het programma. Jongbloed was nog steeds op vakantie en die week ging Suiker door zijn rug. Dat betekende in elk geval dat ik weer bij de selectie zou zitten. Maar… ik zat niet alleen bij de selectie, ik maakte zelfs mijn debuut in het eerste van FC Amsterdam. Op het veld van Quick Boys in Katwijk wonnen we voor duizenden mensen met 5-4 van de Denen. Ik maakte meteen kennis met het keiharde spel van de latere spits van Amsterdam, Bjarne Pedersen. De Deen gleed twee keer op me door en evenzoveel maal moest ik verzorgd worden. Na de wedstrijd zei Nico Jansen tegen me dat ik mezelf beter moest gaan beschermen in de duels. “Welkom bij de profs, Ton,” voegde hij er met zijn welbekende knipoog aan toe.

Een kleine week later stond de uitwedstrijd tegen Spartak Trnava op het programma. Wederom gingen Folkertsma en mijn persoontje mee voor de positie van doelverdediger. Mijn gevoel zei dat hij ditmaal zou spelen. ‘s Middags tijdens de wedstrijdbespreking hoorde ik echter dat ik in de basis stond. Het regende pijpenstelen en bij Spartak – meerdere malen kampioen van toen nog Tsjecho-Slowakije – stonden de internationals Jozef Adamec, Dušan Radolský en Karol Dobiaš in de opstelling. We verloren met 2-0, maar ik speelde een prima wedstrijd.

In de tweede helft bekroonde ik mijn goede spel zelfs met het stoppen van een strafschop van Adamec. In de kleedkamer na afloop maakte Dé Stoop met een glimlach de opmerking dat hij hoogstpersoonlijk verantwoordelijk was voor het aantrekken “van dat keepertje.” Pim van de Meent en Tonnie Bruins Slot konden er wel om lachen. “Eén zwaluw maakt nog geen zomer, voorzitter,” was het antwoord van Van de Meent. Ik zat te genieten van het besef dat ik nu écht was toegetreden tot het legertje profvoetballers.

Later mocht ik ook nog mee naar KB Kopenhagen. Jongbloed was terug van vakantie en ik vond het geweldig om de keeper van het WK van 1974 van dichtbij mee te maken. Aangekomen bij het stadion pakte ik mijn tas en die tas van Jongbloed, en liep met de spelers mee richting de kleedkamer. Daar fluisterde Jongbloed in mijn oor dat dit helemaal niet nodig was. Ik zei dat ik het graag deed. Toen de voorzitter de kleedkamer binnenkwam, stelde Jongbloed hem lachend voor om mij onmiddellijk voor meerdere seizoenen vast te leggen. Ditmaal gaf ik de knipoog. Als ik toen een contract had kunnen tekenen om de tas van Jongbloed voortaan te dragen, had ik onmiddellijk mijn handtekening gezet.

De Graafschap-uit was de seizoensopening voor het C-team. De keeper die daar in de goal zou staan, mocht zich eerste keeper van het C-team noemen. Onderweg met de bus naar Doetinchem werd gestopt voor een lichte sportmaaltijd. Hier hoorde ik dat ik zou spelen. Van vierde keeper naar derde keeper, maar ik voelde dat er nog meer inzat. Het bleef in de stromende Hollandse regen 0-0 op de Vijverberg. Er volgden wedstrijden tegen Go Ahead, Telstar, AZ, NEC, Ajax (voor de beker), Ajax (voor de competitie) en Volendam, maar ook een aantal wedstrijden doordeweeks, met kunstlicht in het Olympisch Stadion, tegen Amsterdamse amateurclubs, het zogenaamde Nederlagen Toernooi. Bij die wedstrijden kon zelfs je horen wanneer iemand een zakje chips openscheurde. Er zaten alleen maar ouders en aanverwante familie op de tribunes. Sfeerloos en kil.

Bij één van die wedstrijden voelde ik iets in mijn lies schieten, al ik kon ik er mee verder spelen. Later zou blijken dat de ellende daar is begonnen. Ik kon niet meer voor honderd procent trainen en er werd besloten om een foto te maken. Zo ging ik naar een kliniek op de Willemsparkweg. Een paar dagen later kreeg ik een telefoontje dat ik me om 17.30 uur in het stadion moest melden. De uitslagen van de foto’s waren binnen. Ik zal die namiddag nooit vergeten. Toen ik het stadion binnenkwam, zei ome Jan Wieseman dat ik maar even in de kleedkamer moest wachten. Zo’n 10 minuten later werd ik geroepen door masseur Gijs van de Bildt. Hij nam me mee naar de trainerskamer en daar zaten en stonden Dr. Arie Farber, fysiotherapeut Wim Crouwel, Pim van de Meent en Tonnie Bruins Slot. Vijf man sterk om mij de uitslag van die foto’s mede te delen! Dat beloofde weinig goeds.

Kort samengevat kwam het erop neer dat het einde voetbalcarrière was. Zelfs spelen op amateurniveau kon niet meer. De foto’s hadden uitgewezen dat ik bij verder sporten een groot risico nam, en eventueel in een invalidewagentje zou kunnen belanden. Iets met een verschoven wervel en een eventuele verlamming; er werd van alles gezegd, maar dat ging volledig langs mij heen. Het enige dat ik me van dat gesprek kan herinneren was de opmerking van Gijs van de Bildt dat dit het gevolg was van mijn manier van keepen. “Je stort je constant voor de bal, keepertje.” Ik heb de man alleen maar aangekeken en ben even later in een roes naar huis gereden. Einde droom.

Thuis aangekomen stortte ik volledig in en mijn vader was woest. Hoe kon een profclub iemand van negentien jaar na zo’n mededeling in de wagen laten stappen? Waarom hadden ze hem niet betrokken bij de uitslag van de foto’s? Ouwe Niessen heeft nog contact met mensen van de club gehad, en dat ging er niet zachtzinnig aan toe. Later die avond belde Bruins Slot op om te vragen hoe het met mij ging. Het ging niet goed. Nog later heb ik een gesprek met de voorzitter gehad. Stoop was een prachtkerel.

Niessen senior was niet iemand om zich hierbij neer te leggen. De maandag na het gebeuren zat ik bij fysiotherapeut Salo Muller en via hem kon ik een dag later naar professor Marti voor een second opinion. Normaliter had deze man een hele lange wachtlijst, maar door bemiddeling van Muller kon ik er meteen terecht. Toen professor Marti de foto’s zag, en de daarbij behorende conclusie van de medische staf van FC Amsterdam, schudde hij het hoofd. Na een half uur onderzoek stelde hij voor om meteen te beginnen met een kuur van injecties. Hij zei dat er iets was afgescheurd bij het schaambeen en dat dit goed behandelbaar was. De diagnose over een afwijkende wervel en eventuele verlamming vond hij ronduit belachelijk. Vier weken achter elkaar ben ik naar het Binnengasthuis gereden en vier weken achter elkaar ging er een flinke spuit in mijn schaambeen. Na nog eens een maand rust mocht ik weer gaan trainen. Dat ben ik gaan doen bij Blauw Wit. Ik geloofde niet meer in een carrière als prof en was hevig teleurgesteld in de manier van nazorg van de mensen van FC Amsterdam.

Niessen, staande tweede van links, bij FC Amsterdam. In het midden voorzitter Dé Stoop.

Mijn tijd bij ‘De Lieverdjes’ is, ondanks het vervelende einde, de mooiste tijd binnen het voetbal geweest. De sfeer, de spelers onderling, de trainingen, de humor, het stadion, het bijveld, de geur in de catacomben, de reisjes, de Intertoto- wedstrijden, voorzitter Stoop, Tonnie Bruins Slot en ome Jan Wieseman. Mijn contact in die tijd met mannen als Nico Jansen, Heini Otto, Leen van de Merkt, Henk Wisman, Leo ‘Lippie’ de Leeuw, Willy ‘Stengel’ van Bommel, Jan Wegman, Olaf Boon, Frits Flinkevleugel, Floris Thoolen en vele anderen zijn mij altijd bijgebleven. Na die blessure heb ik nog jaren op niveau gespeeld en ik heb nooit meer last gehad van die lies. Professor Marti is in mijn ogen een geweldenaar.

Na twee seizoenen Blauw Wit werd ik weer benaderd door FC Amsterdam. Inmiddels was Bruins Slot hoofdtrainer en Paul van der Meeren aangetrokken als doelman. Ik zou een eerlijke kans krijgen en moeten concurreren met Van der Meeren. Ditmaal werd in het Apollo Hotel met de voorzitter over serieuze bedragen gesproken en voor mezelf was ik eruit. Een prima salaris en een auto plus de wil om terug te keren in het betaalde voetbal bij de club waar mijn hart lag. Ik wilde terug naar het Olympisch

Stadion en dat de club op het punt van degraderen stond, interesseerde mij niets. Ik was fit, voelde de drang om mezelf nog een keer te bewijzen en kreeg een echte kans van Bruins Slot. Op datzelfde moment kwam FC Utrecht aan de deur en mijn vader adviseerde me om voor Utrecht te kiezen. Zijn motivatie was dat deze club eredivisie speelde. Waarom ik naar hem geluisterd heb, is mij vandaag de dag nog een raadsel. Het is in mijn ogen de grootste fout in mijn voetballeven geweest. Op de vraag of ik het had kunnen redden in het betaalde voetbal, kan ik een kort en krachtig antwoord geven: ‘Nee. Absoluut niet.’ Ik kwam als keeper minimaal tien centimeter tekort en ik leefde niet voor mijn sport. Bij mij kwamen drank en vrouwen op plaats één. Ik zoop en hoerde en snoerde. Daartegenover stond dat ik kei- en keihard trainde. In principe pleegde ik roofbouw en mijn blessuregevoeligheid was daar een gevolg van. Ik heb maar twee wedstrijden in het eerste van FC Amsterdam gespeeld en voor het overige in het C-team. Toch is mijn FC Amsterdam tijd voor mij de mooiste tijd binnen de voetballerij geweest. Een unieke club met unieke mensen.