Door Tieme Woldman

De selectie van zondag eersteklasser Achilles 1894 uit Assen piepelt een A-junior in een rondo op de training. Het gejoel van de mannen om hem heen echoot nog wel een tijdje na in z’n hoofd, maar daar wordt hij alleen maar sterker van, zie je trainer Theo ten Caat van een afstandje denken. De bal springt de rondo uit in de richting van Ten Caat. Een wippertje met zijn linkervoet volgt, en in dezelfde beweging lobt hij de bal terug de rondo in. Een jeugdspelertje blijft bewonderend staan, maar de mannen van de rondo weten het al vanaf de allereerste training: bij elkaar opgeteld hebben zij samen nog geen 75 procent van het talent van Ten Caat.

Ten Caat speelde voor FC Twente, Veendam, FC Groningen, Aberdeen en Vitesse.

Dat talent bracht hem van HODO, in zijn geboorteplaats Hollandscheveld, naar een hele reeks nieuwe clubs. Eerst Hoogeveen, toen FC Twente, daarna, Veendam, FC Groningen, Aberdeen, Vitesse, nogmaals FC Twente en tot slot Veendam. Bij Twente gaf Ten Caat steekpassjes op doelpuntenmachine Johnny Bosman, en Paul Bosvelt leverde ballen bij hem in. In Madrid veegde hij voor FC Groningen de bal achter Atlético-doelman Resino, en Glasgow Rangers-legende Ally McCoist zag Ten Caat voor Aberdeen tegen de Rangers scoren. Bij Veendam maakte hij met zijn fijne linkerbeen en techniek het stadion de Langeleegte iets minder leeg.

Alles in de voetballer Ten Caat kwam samen in zijn linkerbeen. Het been van een stylist, het been van een liefhebber, het been van de geniale invallen, het been van een vrije jongen, het been dat nooit gele kaarten nodig had, het been dat na rushes over de linkerflank overweldigend scoorde, het been dat ergens ver terug hetzelfde DNA als Arnold en Gerrie Mühren moet hebben gehad,  DNA dat zich tegenwoordig verder verspreidt onder jongens als Theo Jansen, Rafael van der Vaart en Hakim Ziyech. Zoals bij iedere linkspoot domineert bij Ten Caat de rechterhersenhelft. De creativiteit die daar zetelt, beperkt zich bij hem niet tot voetbal. In het jaar bij Vitesse begon hij landschappen te schilderen, en terwijl voetbalmaten als  Theo Bos, Philip Cocu en Roy Makaay in het spelershonk de flipperkast op tilt trokken, zocht Ten Caat naar het juiste soort geel voor zijn werken. Het liefst maakt hij winterlandschappen, waarop zijn vader hem de winterschilder ging noemen. Op de vraag van verslaggever Bert Maalderink of het later wat ging worden met zijn schilderen, antwoordde Ten Caat lekker met een nonchalant “we zien wel.”

Theo ten Caat anno 2017

Tegenwoordig verraden Ten Caats jongensachtige, lange haar en zijn opvallende designbril dat hij nog altijd een vrije jongen is, en dat de creativiteit in hem alle kanten op had kunnen gaan. Trainer zijn gaat hem makkelijk en natuurlijk af. Onder Ten Caat werd Achilles 1894 dit seizoen kampioen en promoveerde het team naar de hoofdklasse, maar je ziet Theo net zo gemakkelijk als gitarist van Cuby and the Blizzards aan het werk, naast zanger Harry Muskee, die ooit nog bij Achilles 1894 voetbalde. Of je maakt hem mee als dichter, op het podium met Jules Deelder en Bart Chabot, om hele zalen in vervoering te brengen. Want Ten Caat is in alles een kunstenaar. Vraag maar aan dat jeugdspelertje langs het trainingsveld.. Vraag het de mannen van de rondo. Vraag het de spelers die ooit met hem in het veld stonden. En vraag het zeker ook aan Mart Smeets  – want die heeft thuis een echte Theo ten Caat aan de muur!