Door Tieme Woldman

1961. Oost-Duitsland bouwt dwars door het hart van Berlijn een muur, het complete Amerikaanse kunstschaatsteam komt in België om bij een vliegtuigongeluk, Anton Geesink judoot zich wereldkampioen in Parijs en in het Drentse Beilen verdringen hordes voetbalsupporters zich langs de lijn bij de plaatselijke voetbalvereniging. Iedereen wil Sies Wever, de nieuwe keeper van het eerste elftal, met eigen ogen aan het werk zien. De hele week wordt er in Beilen en de verre omtrek over niets anders dan Wever gesproken. De muur door Berlijn, het drama met het kunstschaatsteam en zelfs de reusachtige Geesink zijn ver naar de achtergrond gedrongen door de pas 14-jarige Wever die zijn debuut in het eerste elftal maakt.

De supporters buigen zich zo ver mogelijk naar voren over de omheining om niets te missen als Wever het veld op loopt. Een journalist overweegt of hij morgen in de krant zal schrijven dat het was alsof Jezus over water liep, maar het is 1961 en de kerken zitten nog stevig in het zadel. Als Wever de eerste boogbal bij het inschieten uit de lucht vangt, klinkt er applaus. De trainer van Beilen weet dan al dat Wever hooguit twee seizoenen bij Beilen zal voetballen, “Als de grote clubs lucht krijgen van zijn talent is hij niet voor ons te behouden.”

Op zijn zestiende verkast Wever naar SC Assen nadat hij in de kampioenswedstrijd tussen Beilen en Assen met een twijfelachtige blessure uitvalt en SC Assen met de titel aan de haal gaat. Bij de supporters verandert het applaus in boegeroep en klinkt: ‘hij heeft zich laten omkopen’. Dit soort incidenten gaan als een rode draad door Wevers carrière lopen. Maar eerst keept hij zich het nationale amateurelftal in en lijft Ajax hem in. Van dichtbij maakt hij de grote successen van Ajax begin jaren zeventig mee, als reserve achter Heinz Stuy komt Wever uiteindelijk niet verder dan elf wedstrijden voor Ajax. Ambitieus als hij is, wil Wever alleen maar eerste keeper zijn en daarvoor verhuist hij naar MVV.

Na twee seizoenen in Maastricht lonkt echter zijn geboortegrond en stapt Wever over naar zondag hoofdklasser VV Hoogeveen. Bij de warming-up klinkt ‘I Can’t Get No Satisfaction’ van The Rolling Stones op verzoek van Wever, de supporters verdringen zich massaal langs de lijn om hem aan het werk te zien.

‘Cause I try and I try and I try and I try.’

En precies op dat moment springt Wever de lucht in om bij het inschieten een voorzet met één hand uit de lucht te plukken; het applaus echoot tegen de reclameborden terug het veld in, al vóór de wedstrijd staat Hoogeveen met 1-0 voor.

Het is dan inmiddels 1977, de minirok verdringt de zwarte kousen met succes, en een journalist durft het aan om te schrijven dat het was alsof Jezus op water liep. Met de ervaren en nog altijd goed keepende Wever wordt Hoogeveen kampioen en gaat het op voor het algemeen kampioenschap bij de zondagamateurs. Heel Hoogeveen loopt over van euforie en optimisme; Wever ruikt zijn kans en wil geld zien voordat hij die beslissende wedstrijden speelt: zonder premie keept hij niet. Met de rug tegen de muur geeft Hoogeveen uiteindelijk aan Wever toe. Hoogeveen wordt algemeen kampioen, Wever gaat op de schouders maar de supporters bijten zich op hun tong om geen boe te roepen.

In de zomer daarna werkt Ajax haar vaste trainingskamp in Noord-Nederland af als voorbereiding op het nieuwe seizoen en doet Hoogeveen aan. Wever keept tegen zijn oude club, vóór hem in het veld staan Hoogeveen-talenten Karel Liklikwatil en Roel Smand. Ajax maakt zich op voor een avondje gallery play, maar Simon Tahamata komt Liklikwatil geen enkele keer voorbij en Søren Lerby loopt de hele wedstrijd achter Smand aan. In Hoogeveen verbaast het dan ook niemand dat Ajax Liklikwatil en Smand een contract wil aanbieden. Wat wel verbazing opwekt, is dat Sies Wever achter de rug van Hoogeveen om tegen betaling probeert te bemiddelen tussen Ajax en de beide Hoogeveen-spelers. De transfers gaan op het laatste moment niet door, maar weer eindigt een verblijf van Wever in boegeroep. Wie vandaag zijn naam in Hoogeveen laat vallen, krijgt eerst verhalen van chantage en hosselen te horen.

Uiteindelijk staat Sies Wever als keeper in de schaduw van zijn eigen incidenten. Hij wordt vooral herinnerd als een bad boy en door Wevers uiterlijk en gedrag is de vergelijking met tijdgenoot George Best snel gemaakt. Best werd de vijfde Beatle genoemd en tot op de dag van vandaag wordt Wever in Beilen, Hoogeveen en de verre omtrek nog altijd de vijfde Rolling Stone genoemd. Want van muzikanten kun je zulk gedrag verwachten.