“Eigenlijk zou ik eens goed naar mijn knie moeten laten kijken. Ook in het dagelijks leven heb ik er soms last van. Moet ik een kunstknie of niet? Ik weet het niet. Maar voetballen, nee, dat doe ik nooit meer.”

De knie van René Panhuis (55) is misschien wel het grootste obstakel geweest richting een prachtige profcarrière. De in Purmerend woonachtige en werkzame – als ambtenaar op het gemeentehuis – werkzame middenvelder had natuurlijk lang niet zoveel talent als bijvoorbeeld een Gerald Vanenburg, maar pech, ja, dat had hij wel. Was het niet zijn knie, dan was het de militaire dienst waar hij in zijn tijd niet onderuit kwam. Zo kon hij de trainingen van Ajax niet meer volgen en raakte hij achterop in zijn ontwikkeling als talent.

René Panhuis op De Toekomst, het jeugdcomplex van Ajax. FOTO: Eye4Sports.

Panhuis behoort in 1982 tot de van talent uitpuilende selectie van Ajax.

En toch, Panhuis speelde maar liefst 360 wedstrijden betaald voetbal. Na zijn start bij amateurclub SDZ, kwam hij via de vader van collega ExProf Peter van der Hengst bij Ajax terecht. Na twee korte instuiven werd hij aangenomen. Tien jaar was hij toen. Vanaf dat moment doorliep Panhuis alle selectie-elftallen en debuteerde hij zelfs in de hoofdmacht. Uiteindelijk brak hij nooit door. Hij moest in dienst. “En mijn dienstperiode verliep anders dan gepland. Ik had toen echt een contract en dat was een struikelblok. Ik kon de trainingen in Amsterdam niet meer volgen. Dat wil niet zeggen dat ik een blijvertje was, maar er had anders misschien wel iets meer ingezeten.”

De spelerskaart van Panhuis op het WK in Mexico.

Panhuis vervolgt: “Kijk, de échte talenten, zoals Marco van Basten en Gerald Vanenburg, komen altijd wel bovendrijven. Die waren toen al een genot om naar te kijken,. Je wist al van tevoren dat ze de absolute top zouden halen. Want, vergis je niet, hele kleine verschillen bepalen op welk niveau en waar je terecht komt. En natuurlijk heb je altijd ook een beetje geluk nodig. Toch ben ik trots op wat ik allemaal heb bereikt. Met de Nederlandse jeugdelftallen heb ik in een EK gespeeld, ben ik naar het toen bekende internationale toptoernooi in Cannes geweest en heb ik in Mexico een WK gespeeld. Het was het eerste Nederlands jeugdelftal ooit dat op een WK uitkwam. Dat was me een belevenis met Vanenburg en Van Basten, ook al was ik de jongste van de selectie en had ik geen basisplaats. Op het EK in Finland had ik dat overigens wel.”

Panhuis: “Toen ik uit dienst terugkwam raakte ik ook nog eens geblesseerd. Ajax had toen net dat samenwerkingsverband met Telstar. Ik ben toen naar IJmuiden gegaan, waar ik drie en een half jaar heb gespeeld. Tja, het was mentaal wel even omschakelen. Het was een ander niveau. Toch was ik blij; ik kon me weer in de kijker spelen. RKC toonde op een gegeven moment belangstelling. Ger Blok, hun trainer, kende me nog van het UEFA-jeugdteam. RKC speelde toen eredivisie. Ik was graag gegaan, maar Telstar vroeg teveel geld.”

Panhuis bleef daarop, naar eigen zeggen, redelijk in de anonimiteit spelen. Hij kwam twee jaar voor Cambuur uit. De club kende toen al veel rivaliteit met ‘buurman’ Heerenveen. Een plan voor de lange termijn. “En dat blijkt dus ook op de plek waar ze nu staan. Cambuur is een beetje een ‘heen en weer’.” AZ kwam. Voor de Alkmaarders verdedigde Panhuis drie en een half jaar de clubkleuren. “Samen met medespeler Martin van Ophuizen had ik een akkefietje met technisch directeur Hans Vonk, in de periode dat Piet Schrijvers trainer was. Vlak voor een wedstrijd werden in zijn hok ontboden en vertelde hij dat wij niet mee gingen. Wij pasten waarschijnlijk niet in zijn plaatje. Alleen, maak dat dan bespreekbaar! Het was typisch een voorbeeld van hoe communicatie niet hoort te gaan. Heel vreemd, we waren toen gewoon basisspeler.”

Begin jaren tachtig was Panhuis een groot talent.

De middenvelder/verdediger ging terug naar Telstar, maar ook toen speelde hij voor zijn gevoel al op tachtig procent van zijn kunnen. De rechter knie strubbelde tegen, al was die aan zijn linker been ook niet je van het. “Als ik nu naar Cor van der Hart junior (de orthopedisch chirurg, red.) zou gaan, denk ik dat hij zich flink kan uitleven.” Het trainerschap zag Panhuis aanvankelijk niet zitten, toch haalde hij na 2009 zijn diploma’s III en II. “Ik ben bij de gemeente Amsterdam gaan werken en voor je het weet ben je ambtenaar. Tja, er moet toch brood op de plank komen.” Toch bevalt het trainerschap Panhuis wel. Komend seizoen is hij de verantwoordelijke van zaterdag 1 van Purmersteijn, een nieuw team dat in de vierde klasse zal starten. In het verleden trainde Panhuis al bij ZOB, OSV en Almere City (de B-junioren). “Mijn ambities? Ik zit er toch wel aan te denken om voor het diploma I te gaan, ook al moet je stukje tijd en geld investeren. Maar voor mijn ontwikkeling denk ik dat je daar wel wat aan heb.”

Terugkijkend: “Het hoogtepunt van mijn loopbaan was toch wel het EK in Finland met UEFA-jeugd speelde ik alle wedstrijden. Met AZ heb ik in de nacompetitie voor volle stadions gespeeld. Je leefde in een roes, prachtig. Voetbal op zich blijft nog steeds leuk spelletje. Dat gedoe in kleedkamer blijft het mooiste wat er is. Ik denk dat heel veel voetballers zich dat op die momenten niet realiseren. Die humor alleen al. Zo hadden wij bij Telstar de Braziliaan Reinaldo rondlopen. Halverwege de training vroeg onze trainer Cor van der Hart hem eens of hij nog van plan was wat te gaan doen. “Training si, but no explosive!,” antwoordde hij droog. De man die met zo veel poeha was binnengehaald, wenste zich niet uit de naad te werken. Na paar wedstrijden was voor hem het nachtleven in Amsterdam leuker dan de velden in IJmuiden.”