Column: Maarten Bax

Het is mei 1998. Schiphol mag geen extra chartervliegtuigen laten landen voor de finale van de Champions League  in Amsterdam. De UEFA dreigt de wedstrijd tussen Real Madrid en Juventus zelfs te verplaatsen. Waarom? Omdat er vanuit Madrid en omstreken te veel supporters verwacht worden.  Niet te geloven. Staatssecretaris Erica Terpstra en Jan Gaasterland, directeur van de Amsterdam Arena, spreken er schande van. Het imago van Nederland staat onder druk.

Vlak voor de finale, waarbij de ExProfs Clarence Seedorf (Real) en Edgar Davids (Juventus) de degens kruisen, krijgt de sportredactie van mijn televisiezender een uitnodiging. Of we met het bestuur van de grootste club ter wereld de lunch willen nuttigen? En zo sta ik een dag voor de finale op de stoep van het chique restaurant D’Vijff Vlieghen – ja, zo spel je het echt – in de Amsterdamse Spuistraat. Het is dringen: we zijn niet de enigen die op de stroop van het Madrid-bestuur afvliegen. Logisch. Zeg nou zelf: wanneer word je als sportjournalist door het bestuur van een Nederlandse topclub uitgenodigd?

Ik dring me naar binnen en verwerf me de beste plek: aan de lange, lange tafel in het toch al niet te ruim bemeten restaurant zit ik precies tegenover voorzitter Lorenzo Sanz. Zo kan hij mij, voor onze camera, straks precies vertellen wat Real denkt over die Schipholgrap. Rechts en links van hem zitten ook al twee heel bekende gezichten. Francisco Gento ofwel El Supersonico, de man die met zijn razendsnelle acties de Europa Cup maar liefst zes maal wist te winnen, en Alfredo di Stéfano, De blonde Pijl, die ooit zelfs door guerillas werd ontvoerd ‘om aandacht te trekken’ en die in de jaren vijftig wist te scoren in alle vijf op rij door Real gewonnen Europa Cup 1-finales. En deze mannen zitten nu dus opeens tegenover me.

Vaantje van de Champions Leaguefinale Real Madrid – Juventus in 1998

Ergens tussen de derde en vierde gang waag ik het erop. Dit is het moment om de almachtige voorzitter iets te vragen. Ik instrueer mijn cameraman, en met mijn microfoon over tafel hangend, de artisjokken en de kaviaar ontwijkend, spreek ik him in mijn beste Spaans aan. En nee, hij was niet bepaald te spreken over het luchthavenbeleid van Nederland. Na de maaltijd lukt het me ook nog om Gento en Di Stéfano een paar vragen te stellen, op een bruggetje over een van de Amsterdamse grachten. Niet dat ik veel begrijp van hun Spaanse gebrabbel, maar toch…

Later op de avond krab ik me in alle rust achter de oren. Op één dag sprak ik met Gento én Di Stéfano. Niet mis. Ja, Cruijff en Pelé had ik al op mijn lijstje, maar dit waren ook wel twee heel bijzondere namen. En dan zat ik ook nog face to face met Real-dictator Sanz aan tafel. Niet te geloven, voor onze begrippen. Bij de meeste clubs in Nederland ben je als journalist welkom en krijg je misschien een kop koffie met een plakje cake, maar verder worden de heren van de media  per definitie gewantrouwd. Doe mij dan Real Madrid maar. Of elke willekeurige Amerikaanse basketbalclub. Daar mag je de toppers zelfs na afloop van een wedstrijd in de kleedkamer interviewen. Niet omdat ze je willen paaien, maar omdat ze openheid betrachten. Gewoon een kwestie van goede PR voor hun allerbelangrijkste ‘sponsor’: het grote publiek. Want daar gaat het immers om.