In 1961 kwam Piet Kruiver vanuit Italië (Vicence) terug als ‘grote meneer’ naar Nederland om bij Feyenoord te gaan voetballen. Elek Schwartz regelde dat. De bondscoach had zo zijn motieven…

In die tijd was het haast onmogelijk om voor het Nederlands elftal uit te komen. De KNVB-regel luidde, dat als je in het buitenland voetbalde, je geen recht had geselecteerd te worden voor Oranje. Later werd die regel herroepen, want de beste spelers kwamen toen al in grote buitenlandse competities uit. Het nationale team moest zo sterk mogelijk worden.

Als bijna enige, goed verdienende fullprof betekende voetbal voor Kruiver zijn enige werk. Zo had hij meer dan genoeg tijd om zich bezig te houden met zijn grote hobby’s: vissen en jagen. Terwijl de meeste van zijn medespelers er een baan bij hadden – zoals Piet Franssen, de melkboer – stak Kruiver in de vroege morgen zijn voeten in zijn laarzen om er op uit te trekken een mooie vis te vangen. De trainingen vonden immers vooral in de middaguren plaats.

In seizoen ’64-‘65, een dag na de wedstrijd tegen GVAV, het huidige FC Groningen, ging Kruiver weer eens op pad. De toen 26-jarige Feyenoord-aanvaller was in die wedstrijd keihard verdedigd door een zeer verdienstelijke speler van GVAV: Martin Koeman. Ook zijn zonen brachten later het een en ander teweeg in de voetbalwereld, maar dit terzijde. Kruiver was blij dat hij die maandag even kon vissen. Hij was bont en blauw getrapt en was toe aan de nodige ontspanning. Na korte tijd te hebben gehengeld sloeg het geluk toe: hij haalde een joekel van een snoek uit het water. Omdat het tijd was om te trainen, gooide hij de snoek in een kleddernatte handdoek achter in zijn auto en reed als een gek naar De Kuip, waar de training zou plaats hebben. Daar aangekomen, zat Kruiver met de snoek in zijn maag. Zonder na te denken gooide hij het beest in het zwembad van de kleedkamer waarna hij zich omkleedde voor de training.

Zoals altijd waren er na de training een aantal spelers haantje de voorste om zo snel mogelijk in het zwembad te duiken. Ook deze keer weer. De spelers renden de kleedkamer in, gooiden hun trainingsspullen uit waarna drie van hen in het bad doken. Kruiver wist natuurlijk wat er zou gaan gebeuren en had van tevoren al een paar medespelers ingeseind. Maar Thijs Libregts, Hans Kraay sr. en Pummie Bergholtz wisten van niets. Ze sprongen spiernaakt het water in. Je kunt je voorstellen wat ze dachten toen er op hetzelfde moment een narrig roofdier in de gedaante van een meterslange snoek met een opengesperde bek tussen hun benen door zwom. Zo snel ze er in waren gesprongen, zo snel waren ze het bad weer uit onder het roepen van de nodige krachttermen. Het verhaal werd nog maandenlang naverteld in De Kuip. Zelfs anno 2019 wordt er nog altijd smakelijk er om dit verhaal gelachen.