Door: Vrougje Fikke

John Leeuwerik (57) mist het voetballen nog elke dag. “Gewoon, omdat het iets is wat ik van kinds af aan al graag doe. Ik zou er niet aan moeten denken om helemaal zonder voetbal te leven. Het hoort gewoon bij me. Gelukkig ben ik op tijd aan mijn trainerscursus begonnen, zodat ik nog altijd in de voetbalwereld zit!”

Leeuwerik als speler van De Graafschap in 1991.

Als zesjarig jongetje begon Leeuwerik zijn voetballoopbaan bij MvR in ’s-Heerenberg. Joop Doornebosch, toen keeper bij De Graafschap, kwam een keer bij MvR langs. Daar hoorde hij dat John het niet meer zo naar zijn zin had bij de club. “Hij nodigde me uit om een keer bij De Graafschap te komen trainen. Ik was meteen enthousiast en heb direct toegehapt! Ik vond het een geweldige uitdaging om dat te gaan doen. Als 13-jarige mocht ik onder Guus Hiddink trainen. Een mooiere start bij een profclub en van mijn voetbalcarrière kon ik niet wensen! Onder Guus werd je als jonge speler goed opgevangen. Het gaf me gelijk een warm gevoel. Als je gaat trainen bij een profclub komt alles in een stroomversnelling. Je gaat van twee keer naar vier keer trainen in de week. Je maakt een enorme ontwikkeling door.”

“Na de eerste trainingen bij de talenten die gescout waren, werd ik geselecteerd en mocht ik deel uit maken van het jeugdteam voor 13-en14-jarigen bij De Graafschap, en later bij de 14-/15-jarigen. Ik heb ook nog gespeeld voor het Gelders Elftal. Daarvoor moesten we in Zeist trainen en voetballen, bij de KNVB. Door die trainingsarbeid doorloop je een heel leerproces. Dat heb je echt nodig, naast je talent. Zonder die kwaliteit kun je  niet doorbreken. Ik heb veel spelers  zien afhaken, teleurgesteld omdat ze maar niet doorbraken. Om bij het kleine percentage te horen dat het redt, moet je geluk hebben om bij een goede lichting te zitten, een lichting waaraan je je op kunt trekken. Ook de trainer bepaalt of je die stap verder kunt maken.”

Leeuwerik werd prof toen hij 17  was. ”Het tekenen van mijn eerste contract was een mooi moment,”  geeft hij aan. Hij  heeft altijd voor De Graafschap gespeeld, omdat hij semi-prof was. Naast zijn voetbalcarrière werkte hij als drukker bij Kolibri Labels in ’s-Heerenberg. De laatste drie jaar van zijn voetballoopbaan was hij full prof bij De Graafschap. “Ik had met mijn werkgever de afspraak dat ik na die drie jaar terug kon komen. Mijn passie is voetbal en dat wil je zo lang mogelijk blijven doen, maar aan de andere kant moet je ook maatschappelijk denken. De mogelijkheid die mijn werkgever me toen bood, is voor de professionals van nu niet meer denkbaar. Ik heb echt het geluk gehad dat tegelijk werken en voetballen toen nog mogelijk was!”

Leeuwerik (tweede van rechts) in het museum van De Graafschap. Foto: De Graafschap.

Leeuwerik stopte met voetballen toen hij begin dertig was. “Natuurlijk wil je door. Je wil zo lang mogelijk blijven spelen, maar op een gegeven moment komen de lichamelijke probleempjes. Niet dat ik die veel gehad heb. Ik ben er altijd wel goed doorgekomen. Je krijgt wat meer blessures, dat is gewoon zo.” Zijn inzet voor De Graafschap is beloond. Leeuwerik speelde 423 wedstrijden en maakte 113 goals als middenvelder. Daarom mag hij de titel ‘Mister Graafschap’ dragen. Die titel is slechts voor een enkeling weggelegd: Jan Vreman, Guus Hiddink én John Leeuwerik. “Het voelt als een stuk waardering voor wat ik voor de club gedaan heb. Ik ben er trots op!”

Leeuwerik begon zijn trainersloopbaan bij MvR. Daarna was hij de oefenmeester bij vv VIOD, WVC en GSV’38. Op dit moment is hij met zijn tweede jaar bezig bij VV Doetinchem. “Ik ben blij dat Doetinchem op mijn pad is gekomen. Ik vind het een heel leuke club. Ik heb een groep fantastische spelers, die het goed met elkaar kunnen vinden. We zijn bereid en hebben de intentie om naar een hoger niveau te voetballen. Als trainer streef ik het hoogste na. Prestatie staat bij mij hoog in het vaandel en ik hoop dat ik spelers beter kan laten spelen. Als dat lukt, dan geniet je van je baan als trainer. Ik vind het mooi om met die jongens de strijd aan te gaan en ze te motiveren. Ik hoop dat ik het trainersvak nog lang mag uitoefenen.”