Door: Vrougje Fikke

De geboren en getogen Rotterdammer Cor Peitsman (62) woont al jaren met veel plezier in de Achterhoek. De bonkige spits is van vele markten thuis. Peitsman begon zijn voetbalcarrière als keeper, speelde honkbal in de hoofdklasse bij Neptunus, traint en trainde diverse elftallen en fluit ook nog regelmatig een wedstrijd in de vijfde klasse.

Bij Sparta was Peitsman ooit keeper.

Als jongetje leerde Peitsman voetballen bij Sparta. Zoals hij zelf zegt: “Ik ben vroeger keeper geweest, onvoorstelbaar, tot mijn 19e jaar. Er zijn maar weinig mensen die dit weten. Ik heb de finalewedstrijd in het Feyenoordtoernooi in De Kuip gekeept. Ik stond bij het tweede elftal. Er was een keeper die een contract had. Hij maakte af en toe foutjes. De trainer vroeg mij om het te proberen. Ik keepte een dijk van een wedstrijd, maar ik werd teruggefloten. De andere keeper – die gozer verdiende geld en ik was amateur – moest weer opgesteld worden. Ik vroeg aan de trainer: ‘Hoe ziet mijn toekomst eruit?’ Hij kon het niet zeggen, maar hij zou zijn best voor mij doen. Als jij vindt dat ik net zo goed ben of zelfs beter, dan wil ik een contract! Het bestuur wilde echter op dezelfde voet verder. Ik ben toen acuut gekapt en heb me aangemeld bij een amateurvereniging, HOV, gewoon om te voetballen.”

Scorend voor Rheden…

“Ik trainde bij de lagere elftallen. Jan van der Velden, oud-keeper van SVV, stond als hoofdtrainer te kijken. Ik vertelde het verhaal en toen zei hij: ‘Ik zet jou bij de selectie, bij het tweede.’ Ik gaf aan dat ik niet ging keepen, alleen als noodoplossing. Het eerste seizoen in het tweede elftal trapte ik er 29 in met de kop en met de voet. ’s Middags speelde ik bij het eerste, speelde dan 20 minuten, en schopte er toen nog elf in. Ik had toen 40 doelpunten gemaakt. Dat heb ik twee jaar gedaan. In het seizoen daarop zat ik bij het eerste elftal. Ik heb eigenlijk twee jaar als amateur gevoetbald en toen kwam ik al in het betaald voetbal. Je moet er een beetje geluk mee hebben. Ik was 22/23 jaar. Ik heb het betaalde voetbal tot mijn 33ste volgehouden. Daarna ben ik naar Rheden gegaan en heb daar nog een jaar gevoetbald. We werden kampioen in de hoofdklasse B. Het jaar daarop heb ik een combi gedaan. Ik werd speler-trainer van het tweede en zo ben ik het trainersvak ingegaan.”

Trainer

“Niet elke voetballer kan een goede trainer zijn. Dat moet je in je hebben. Je moet je eigen visie over kunnen brengen op jouw mensen door de ervaring die je hebt opgedaan. Als trainer heb ik een aantal regels. Daar heeft iedereen zich aan te houden. Regels en duidelijkheid zijn belangrijk. Je moet duidelijk maken wat jij wil. Als spelers te laat komen, dan train je niet mee. ‘De trein is weg en je hebt de treeplank gemist. Dan moet je wachten op de volgende trein en dat is de volgende training.’ Zo praat ik tegen die mannen.”

Scheidsrechter

“Ik fluit meestal vijfde klasse en lage tweede elftallen. Ik erger me kapot aan die agressiviteit. Dat moeten ze bij mij ook niet doen als scheidsrechter. Ik loop in het veld en zeg dan: ‘Jongetje, kom jij eens even hier. Wat ben jij aan het doen? Als je zo doorgaat, dan speel je niet lang, want ik pestpleur je er zo af. Dan weet je het alvast.’ Gewoon duidelijkheid. Ik los het wel op met mijn bek. Ik ben een scheidsrechter die veel voordeel geeft. Ik kijk eerst wat er gaat gebeuren. Ik haal liever de aanval er niet uit. Ik heb een hekel aan scheidsrechters die alleen maar kaarten trekken.”

Prins Carnaval

“Coen Poulus was prins bij De Umdraeyers in Doetinchem. Op een gegeven moment zei hij tegen Jerry Cook en mij: ‘Jullie moeten een keer naar het carnaval.’ “Carnaval, krijg de pleuris met je carnaval, gek. Hoe werkt dat?”, zei ik. Poulus: ‘Dan moet je wel verkleed. Dan ga je een pakje halen of een kieltje kan ook.’ “Cook en ik gingen een pak halen, hij een boevenpak en ik had zo’n pak als Tommy Cooper met zo’n fezje op. Geweldig! Toen we de zaal binnenkwamen, wisten we van toeten nog blazen.” Jerry zei: ‘Laten we eerst maar koffie doen.’ “Wij naar de bar. ‘Heb je een kopje koffie voor mij?’ Ze zaten me aan te kijken. ‘Meneer, als je dan de gang inloopt, het trappetje af.’ Dus wij naar beneden voor de koffie, daar hebben we zitten kijken. Zo ben ik het carnaval ingerold.”

Cor Peitsman als Prins Carnaval (midden).

“Op een gegeven moment hadden ze mensen te kort bij de Raad van Elf en toen heb ik meegedaan. In 2006 was ik Prins Carnaval. Ze kwamen aan de deur, ik vergeet het nooit meer, om te vragen of ik Prins Carnaval wilde worden. Mijn vrouw zei toen: ‘Dat gaat niet gebeuren. Ik ga daar niet een hoop geld aan uitgeven aan die gekkigheid.’ Mijn zoon en dochter hoorden het verhaal en die zeiden: ‘Dat gaan we doen, want die kans krijg je maar één keer.’ Ik heb overal sponsoren voor gezocht om het te bekostigen, want ik wilde er geen duizenden euro’s ingooien. Het was een mooie tijd. Dat was vier dagen knallen. Mijn spreuk was: ‘Leutekum d’ran!’ De aftrap hebben we bij mijn oude cluppie De Graafschap gedaan. Ja, dan was een happening! Gewoonweg geweldig! Vorig jaar was ik prinsbegeleider van Prins Dennis. Ik zit ook nog bij de oud-vorsten en daar doen we allemaal leuke dingetjes mee. Ik voel me hier thuis. De Achterhoek is mijn laatste station.”