Als Willy en René van de Kerkhof aan hun kleinkinderen vertellen dat ze in een WK-finale hebben gespeeld, maakt dat weinig indruk. De clubiconen van PSV bespeuren een tweedeling in de samenleving. Ze zijn voor ouderen prominent en voor jongeren onbekend.

Willy en René anno 2020.

Als Willy en René Van de Kerkhof (68) zich van Renés businessroom naar het PSV-museum begeven, lopen de broers tegen een klein obstakel aan. We willen een foto maken met de gezamenlijk gewonnen UEFA Cup in 1978, een van de twee Europese hoofdprijzen uit de geschiedenis van de club. De tocht naar die beker leidt langs een grote selectiefoto aan de Oosttribune van het Philips Stadion, waar omstanders op een stoeltje kunnen zitten en zodoende Mark van Bommel ogenschijnlijk vervangen als hoofdtrainer van PSV. Ludiek, maar waar rook is, is vuur: de trainer wordt drie dagen na het interview ontslagen.
Een buitenlandse toerist solliciteert naar de functie van nieuwe PSV-trainer en zijn reisgenote staat met mobiel klaar om dat moment te vereeuwigen. Fotograaf en verslaggever omzeilen het duo met ruime boog, maar Willy en René lopen stoïcijns door het fotomoment heen. Ietwat geïrriteerd kijkt de toerist de broers achterna. Moesten die voormalig WK-finalisten, samen goed voor 110 interlands in Oranje, 25 seizoenen in PSV-shirt en twee nominaties in de in 2004 door Pelé opgezette lijst van 125 beste, op dat moment levende voetbalspelers, nou echt zijn foto verpesten?

De gebroeders zijn niet verrast. “Jongere mensen hebben toch geen idee wie wij zijn?”, vraagt René retorisch. “Ik heb zes kleinkinderen en de oudste is zeven. Youp. Hij speelt bij DVS in Aalst. Ik ga iedere zaterdag bij hem kijken. Ik zeg weleens tegen hem dat ik in twee WK-finales heb gespeeld. Dan zegt hij: ‘Oké opa, laten we gaan voetballen!’ Hij vindt het leuk dat ik voor PSV heb gespeeld. Maar dat had net zo goed in het derde elftal kunnen zijn. Het besef is er nog niet.” Willy: “Ik heb tien kleinkinderen, van wie de oudste zeventien is. Bij degenen die ouder zijn dan een jaar of vijftien, zie ik nu een besef komen van: verdomd, opa was echt goed. Dan krijgen ze toch iets meer respect voor je. Zijn ze trots op het feit dat opa vroeger een goede voetballer was. Mijn oudste kleinzoon Quinten speelt bij FC Eindhoven. Hij is een vaste reserve bij het eerste elftal en heeft een paar wedstrijden meegedaan. Hij is snel, sterk en lang. Technisch en tactisch goed. Met hem praat ik veel over voetbal. André Ooijer, mijn schoonzoon en zijn oom, doet dat ook. Ik zou het leuk vinden als hij het betaald voetbal haalt. Want komen is één en blijven is twee. Gelukkig draagt hij zijn vaders achternaam, Huybers, en niet die van mij. Dat levert minder druk op.”

Zo gek is het niet dat de naam Van de Kerkhof jongere generaties relatief koud laat. René en Willy hebben zich na hun spelerscarrière wars gehouden van officiële functies in de voetballerij. Media kunnen altijd bellen voor een interview over PSV. René: “Al doen we ook niet alles meer. Als er een Rotterdamse of Amsterdamse krant komt, houden we de boot af.” En afgelopen zomer baarde het duo opzien met een lollige carnavalskraker. “Ik ben Willy en gij René. Dus samen zijn wij altijd met zijn twee”, zong het duo in 44 feestkroegen binnen drie dagen. Alles voor het goede doel: de bijna twaalfduizend verdiende euro’s gingen naar stichting Sports for Children. Willy: “Drie dagen lang opstaan om acht uur ’s ochtends en doorgaan tot twee uur ’s nachts. We reden van de ene naar de andere plek in zo’n soort gele Canadese schoolbus. Ik had pijn aan mijn rug, niet normaal…”

Maar het zijn uitspattingen. De broers houden van hun bestaan in de luwte. René is met pensioen en heeft daardoor alle tijd voor zijn hobby: reizen. “Ik probeer regelmatig op vakantie te gaan. Meestal met mijn vrouw samen. We zijn dit jaar naar Canada en Alaska geweest met de Holland-Amerika Lijn van Vancouver naar Skagway. Dat is een dorp met zo’n honderd inwoners, maar er komen wel zes of zeven cruiseschepen per dag. Bizar. Ik dacht dat Alaska een grote ijsberg was, maar dat deel was heel groen. Ontzettend mooi. Eenmaal terug in Vancouver, prachtige stad, zijn we met de auto naar Calgary in het Canadese binnenland gereden. Op een gegeven moment zagen we auto’s remmen. Ik keek een meter of acht voor mij uit. En wat denk je? Steekt zomaar een beer de weg over! We konden niks doen. Gewoon kijken.” Willy: “Daar komt dat spreekwoord vandaan hè?”

Willy kent zijn spreekwoorden. Hij werkt nog volop en heeft als voornaamste taak om in het contact tussen bedrijven spreekwoordelijke beren van de spreekwoordelijke weg te halen. “Het idee is dat wij deuren open maken die voor anderen gesloten zijn. Als een bedrijf wil binnenkomen bij een ander bedrijf, regel ik die afspraak. Via mij gaat dat makkelijker dan via een secretaresse, omdat ik vaker contact met dat bedrijf heb gehad. In het zakenleven gaat het tegenwoordig om elkaar iets gunnen. Dan is het fijn om mij als tussencontact te hebben. Mijn werk is heel leuk en daarom ben ik er veel mee bezig. Ik kom overal. Ik rijd wel honderdduizend kilometers per jaar, kriskras door Nederland, Duitsland, België en Frankrijk. De bedrijven waarmee ik werk, hebben ook buitenlandse vestigingen. Constant kom ik nieuwe mensen tegen. Gisteren werd mij gevraagd om een foto te overhandigen, omdat ik de jeugdheld van de eigenaar van een bedrijf was. Zo zijn we met elkaar in gesprek gekomen en hebben we gekeken of we meer voor elkaar kunnen betekenen. Dat kletsen is voor mij ontspanning.”

René: “Ik werk niet zoveel als Willy. Die blijft dat tot zijn dood doen. Maar voor de bedrijven die aan mijn businessroom verbonden zijn, doe ik ook wat. Ik sta rond wedstrijden soms achter de bar. Dan zeggen ze verbaasd te zijn dat een clubicoon achter de bar staat, biertjes te tappen. Dan vraag ik wat daarvan het probleem is. Als ik niet tap, krijgt hij toch geen bier? Mensen kunnen dat niet begrijpen. Willy en ik moeten ’s ochtends toch ook gewoon naar de wc?” Doe normaal, dan doe je al gek genoeg. Geregeld merken de gebroeders Van de Kerkhof dat veel van hun gesprekspartners een tikkeltje zenuwachtig zijn. Kinderlijke kriebels van opwinding, als gevolg van 537 (Willy) of 350 (René) wedstrijden voor PSV. Het duo wordt bij elke ontmoeting op een voetstuk gezet, maar stapt er bij de eerste mogelijkheid vanaf.

Toen nog gebroederlijk in het shirt van PSV met René rechts en Willy links.

Willy: “Wij behoren natuurlijk tot de bekendste clubiconen van PSV. Als je PSV zegt, zeg je de gebroeders Van de Kerkhof. Ik ben de enige speler die bij de UEFA Cup-winst en Europa Cup I-winst betrokken was. Dat geeft bij heel veel mensen een goed gevoel.” René: “Maar dat maakt ons niet arrogant. We zijn heel graag onder de mensen en staan open voor iedereen. Wij hebben op dat voetstuk gestaan, omdat anderen ons erop hebben gezet.” Willy: “Ik denk dat wij samen een bepaalde toegankelijkheid uitstralen. En dat die voor heel veel mensen plezierig is. Niemand zal over ons zeggen dat we twee klootzakken zijn. Dat zit niet in onze genen. Als ze honderd keer vragen om een foto, doen we dat honderd keer.” Al gaan de jongere generaties tegenwoordig veel liever met Donyell Malen of Steven Bergwijn op de foto. René, met een glimlach: “Vaders komen weleens naar mij toe. Dan willen ze dat ik met hun kind op de foto ga. Ik zag dan tegen dat kind: ‘Neem jij de foto maar, dan gaan papa en ik op de foto. Want papa vindt dat leuker dan jij.’”

* Met dank aan Nick de Jager en Sander Berends (Elf).