Door Ad Fransen

Na een glanzende carrière als aanvoerder van Roda JC in de jaren zeventig en tachtig viel Leo Degens (60) in een zwart gat van eenzaamheid, alcoholisme en depressie. Hij voelt zich in de steek gelaten door zijn oude club. ‘Ik wil leven! Zestig jaar heb ik eigenlijk niet geleefd.’

K“Kiek dan! Kiek dan Lei! Lei kiek! Elf jaar!

Wat zeg je daarvan? Zie ’s hoe dat jong de een na de ander passeert. Lei, is dat een talent of niet? Dat jong is met de bal geboren.”

Op de overdekte terrastafel van café Jules ligt een snorrende smartphone waarop de kunsten van een Limburgs voetbaltalentje uit het Geuldal zijn te zien. Ik heb afgesproken met voormalig Roda JC-aanvoerder Leo Degens (60) in het centrum van Kerkrade, zijn thuisstad en ook die van zijn voormalige voetbalclub. Zijn gloriedagen in het betaald voetbal heeft hij al ruim achter zich – 252 wedstrijden, van 1973 tot 1985 diende de nummer 3 zijn club – maar nog steeds komen jong en oud op hem af om hem aan te spreken over Roda JC. Zoals deze cafébezoeker die hem een filmpje op zijn smartphone laat zien en zegt: “Lei, wat denk je, dat jong moeten ze toch gauw bij Roda halen, anders is het te laat.”

Leo Degens vindt van niet, hij weet dat je jonge voetballertjes ook gemakkelijk in de knop kunt breken. “Laat dat menneke alsjeblieft nog een tijd bij zijn eigen club blijven, daar kan hij zich persoonlijk ontwikkelen. Als hij nu al naar een profclub gaat, is het afbreukrisico veel te groot.”

Zelf begon Degens als voetbaltalentje bij SVK, Sportvereniging Kaalheide. Naast Roda JC nog zo’n typische mijnwerkersclub waar je er hier in de bloeitijd van de kolenmijnen talloos veel van had. Onder de rook van de schoorsteenpijpen en koeltorens, op roetbedekte grasvelden, stonden de spelers even hard te bikkelen als de mijnwerkers ondergronds. Koempelmentaliteit noemden ze dat in de tijd van het zwarte goud.

En ze zijn er nog steeds trots op. Het huidige Roda noemt zich een ‘koempelclub’, heeft een ‘koempelhome’, een jaarlijkse ‘koempelcup’ en voorafgaand aan elke thuiswedstrijd zie je gepensioneerde, zwart geschminkte mannen in koempelkleren en met een koempelhelm op over het veld schuiven om de stemming erin te brengen.

Degens, zelf een rasechte koempelzoon, verhuisde als zestienjarige van de amateurs van SVK als fullprof naar Roda. Hij vindt achteraf niet dat ze daar alles uit hem hebben gehaald: “Bij SVK kon ik heel veel, veel meer eigenlijk. Bij Roda hebben ze me toch een deel van mijn voetbaltalent ontnomen. Ik werd meteen in de verdediging gezet, terwijl ik bij de jeugd centraal op het middenveld stond, goed was in breedtepasses, dieptepasses. Maar ik zei daar niets over, dat hoorde ook bij de koempelmentaliteit, je deed braaf wat er tegen je werd gezegd. De mensen hier waren snel tevreden, op het onderdanige af. Nog steeds, denk ik.”

Vanwege die verregaande meegaandheid zaten pittige onderhandelingen over zijn profsalaris er destijds ook niet in. Gouden bergen heeft hij als voetballer nooit gezien en door de nodige pech was ook het leven na zijn profcarrière financieel verre van riant.

“Hoe ging zoiets… ik had geen manager, mijn vader deed de onderhandelingen en die was snel tevreden. Hij had voor een karig loon in de mijnen gewerkt, en zei: “Lei, teken dat contract nou maar, want weet je wel hoeveel kolenwagentjes ik voor dat bedrag heb moeten volscheppen?”

En hij is ervan overtuigd dat ploeggenoten van buitenaf zoals Jan Jongbloed, Dick Advocaat, Theo de Jong en Adrie Koster, coryfeeën die na het WK van 1974 Roda JC kwamen versterken, veel meer verdienden dan de jongens uit Kerkrade en omstreken. “Als wij 3500 gulden per maand kregen, dan kregen zij wel 20.000 of 30.000. Terwijl wij drie keer zo hard ons best moesten doen. Wij kwamen uit de streek en van ons werden door de club en het publiek extra prestaties verlangd.”

Maar met bonussen – 800 gulden bij winst, 400 bij gelijkspel – en bijklussen voor de toenmalige en onlangs overleden hoofdsponsor, textieltycoon Nol Hendriks, werd het toch nog een fatsoenlijke boterham. “Een paar middagen per week verdiende je wat bij in een van de sportkledingwinkels van Nol Hendriks, en je kreeg premies. Als het scoreboord twee minuten voor tijd op 2-0 stond, dan trapte verdediger Gène Hanssen de bal weg en maakte hij een gebaar alsof hij aan de slinger van een kassa draaide. Iedereen blij.”

Leo Degens is vandaag niet blij, al heel lang is hij niet blij. En dat is nog mild uitgedrukt, want de voetballer lijdt aan zware depressiviteit. Misschien is hij wel nooit blij geweest, zijn hele leven niet, zegt hij een paar keer tijdens ons gesprek. De herfst is begonnen, de blaadjes vallen, het wordt weer snel donker, nu al is hij bang hoe hij de donkere dagen, vooral de avonden moet doorkomen. Als voetballer dacht hij altijd: waar is het doel? Nu zegt hij:

“Wat is het doel? Straks is dit interview voorbij en dan denk ik: wat moet ik nu? Ik heb nog een aantal dagen per week een dagbesteding, maar dat is ook een keertje over.”

Een week geleden is Degens ontslagen uit een psychiatrische kliniek, waar hij vier maanden intern zat. Naast poliklinische therapieën moeten medicijnen hem nu bewaren voor een terugval of een psychose. Een beetje humor heeft hij nog wel. Na het opsteken van de zoveelste rode Marlboro zegt hij: “Man, wat ik slik, dat geven ze normaal aan psychopaten. Maar het houdt me stabiel en met deze medicatie heb ik ook helemaal geen trek in alcohol.”

‘De mensen hier waren snel tevreden, op het onderdanige af. Nog steeds, denk ik.’

In zijn langzame maar gestage neergang als ExProf werd alcohol zijn beste kameraad. Nu drinkt hij alleen maar koffie, maar het gevaar van de alcohol ligt nog altijd op de loer. “Mijn diagnose is een bipolaire stoornis, dus ik kan ook heel euforisch zijn. Dan wordt het gevaarlijk, dan zit je zo weer aan de fles. Je denkt: het gaat toch goed met me, waarom niet. Vervolgens kom je weer in een depressie terecht en denk je: ik drink mijn rotbuien wel even weg. Tja, zo kom je er helemaal niet meer uit. Ik zeg nooit nooit, dan maak ik mezelf iets wijs, maar ik hoop echt dat ik voorlopig met mijn poten van de alcohol afblijf. Ook een beetje drinken is riskant, want het is bij mij alles of niets. Na een paar biertjes ga ik algauw helemaal tot het gaatje.”

Er dwarrelt sigarettenas in zijn koffiekopje zonder dat hij het doorheeft. Hij neemt een slok en vertelt met horten en stoten hoe belabberd zijn leven eruitzag voordat hij uiteindelijk hulp kreeg en opgenomen werd. “Kijk nu, na mijn behandeling, besef ik dat er continu angst in mij zat, die ik wilde wegdrinken. Eerst ontken je dat je alcoholist bent, maar als je op een gegeven moment elke avond acht halve liters witbier drinkt, dan mag je jezelf best zo noemen. Weet je wat het is: ik heb ook nooit uit gezelligheid gedronken, ik dronk altijd om even de knop om te draaien.”

We komen er later nog op terug, maar nadat Leo Degens al vrij jong als voetballer was afgekeurd, ging het financieel ook snel bergafwaarts. Hij kwam uiteindelijk in de WAO terecht, moest voor het zout in de pap de post rondbrengen of verkocht zijn spulletjes op een rommelmarkt in Brunssum, waar hij nu nog steeds elke zondag te vinden is.

“Nee, daar schaam ik me echt niet voor. Het is gezellig, daar staan mensen van dezelfde komaf als ik; ze zijn allemaal niet in luxe opgevoed.” Hij moet alleen uitkijken dat hij op die rommelmarkt geen rare dingen uithaalt als hij weer in een manische periode zit:

“Dat ga je allemaal dingen inkopen waarvan je denkt dat je ze heel duur kunt doorverkopen. Maar dan sta je ermee op zo’n rommelmarkt en blijkt dat geen hond in jouw spullen is geïnteresseerd. Echt zinloos.”

Omdat het bestaan na de voetballerij geen vetpot was, er langzaamaan weinig geld overbleef om van uit te gaan, er ook geen liefde of relatie meer was – iemand die op hem kon letten – werd hij vanzelf een eenzame thuisdrinker, die op het dieptepunt alleen nog maar de deur uit kwam voor zijn halve literblikken witbier bij de Lidl. “Gelukkig alleen witbier, geen sterke drank. Ik begon tegen een uur of acht ’s avonds, dan vloog de eenzaamheid me aan, dan wist ik: in de koelkast staat mijn beste vriend, witbier. Met drank kon ik veel ellende verdringen en naarmate ik meer op had, kon ik het aanvankelijk ook prima met mezelf vinden, hoor.

Muziekje op, beetje door het huis dartelen. En met een slok op krijg je soms de beste ideeën. Ik heb een keer zitten schilderen terwijl ik dronken was. De volgende dag zag ik het resultaat en dacht: hè, Lei heb jij dat gemaakt? Had zo naar een museum gekund. Echt, je staat nog verbaasd van je eigen kunnen.”

Maar de zalvende, verzachtende werking van de alcohol, het verraderlijke inspirerende effect liet het langzaamaan afweten. En dat terwijl de eenzaamheid, de verloedering toenam. “Op het laatst lag ik alleen nog maar op de bank, in bed, stond ik hooguit op voor een sigaret, een bak koffie of een blik bier. Ik had nergens anders meer zin in en je gaat denken: waarom zou ik douchen? Waarom zou ik mijn kleren nog verschonen? Ik hoef toch nergens naartoe, hoef toch niemand te ontmoeten. Ik had geen zin meer in het leven, ik was uitgeknokt. Ik had al zoveel gevochten. Of het nou in de voetballerij was of in relaties, ik dacht: laat maar zitten.”

Een oud voetbalmaatje informeerde nog naar zijn welzijn of kwam hem soms een hapje eten brengen, maar verder werd het sociale leven steeds schraler en smaller. Het hele leven verschrompelde eigenlijk, de dood lonkte zelfs gevaarlijk. “Vorig jaar heb ik op het punt gestaan om er een einde aan te maken, zo depressief en eenzaam voelde ik me. Ik joeg de mensen ook eerder van me weg. Ze kwamen met goeie raad, maar daar werd ik alleen maar kwader van. Hou je kop, dacht ik, je weet niet waarover je praat.”

Dat is een goeie. Want heel lang wist Leo Degens zelf ook niet wat hem mankeerde en waarover hij praten moest als hij zich slecht in zijn vel voelde zitten. Totdat hij vorig jaar, in het diepste dal ooit, besefte welke donkere wolk er vrijwel zijn hele leven met ’m mee was gereisd. Pas nu kan hij vrijuit vertellen over welke gebeurtenissen zijn liefdesleven, zijn voetballeven, zijn vervolgcarrière hebben gefnuikt. Het is een verbijsterend verhaal, hij wil het kwijt, het lucht ’m op, hij ziet zichzelf als een toonbeeld van de keerzijde van het profvoetbal. “Ik heb het boek van Wim Kieft gelezen en dacht: nou, ik ken er nog wel zo eentje. En die zit hier, tegenover jou.” En het kan blijkbaar nog een graadje erger. Veel mensen om hem heen geloven het haast niet, maar terwijl alles in het leven van Leo Degens wankelt, is hij zelf van één zaak vast overtuigd: in zijn jonge jaren is hij door een katholieke geestelijke seksueel misbruikt. De boosdoener heet pater Sjors, verder wil hij voorlopig niet gaan in het noemen van namen. Degens is nog in de weer met een advocaat. “Vorig jaar, tijdens mijn laatste depressie – ik lag weer eens alleen thuis te janken op de bank – kwam pater Sjors ineens terug in mijn leven. Pater Sjors was geestelijk adviseur bij SVK, mijn eerste voetbalclub in Kaalheide. “O, wat heb jij mooie blonde krullen,” zei hij altijd. Hij kwam ook bij mijn ouders over de vloer, die bogen voor ’m. Dat was toch hartstikke gewoon hier: de pastoor, de dokter, de onderwijzer, die werden verafgood. Ik weet nog wel: hoe ziek mijn moeder ook was, wanneer de huisarts moest komen, liep ze eerst urenlang het huis te boenen.”

Hij wil maar zeggen, de notabelen – dus ook Pater Sjors – werden in een miezerig mijnwerkersgezin op de rode loper ontvangen, iedereen hield hun de hand boven het hoofd. “Je denkt toch niet dat je, als je was aangerand door een geestelijke, daarmee bij je ouders terechtkon, dat je werd geloofd op school?”

‘Om een uur of acht ’s avonds vloog de eenzaamheid me aan. Dan wist ik: in de koelkast staat mijn beste vriend, witbier.’

Natuurlijk willen we weten wat er dan precies plaatsvond, wat pater Sjors hem concreet heeft aangedaan, welke akelige taferelen hij ineens weer voor zich zag tijdens zijn fatale depressie. Maar daarvoor vindt Degens het ook nog te vroeg, en te confronterend:

“Er is een belangengroep waar gevallen als ik terechtkunnen met hun klachten. Dan krijg je een formulier waarop je moet aangeven: hoe vaak, waar, welke handelingen, welk lichaamsdeel? Tot nu toe heb ik het niet kunnen opbrengen om zo’n formulier in te vullen. Wat mag ik van mezelf verlangen? Ik ben net klaar met een posttraumatische behandeling. Straks, samen met een advocaat, kan ik het misschien wel aan, maar tot nu toe ben ik te bang dat de boel weer wordt opengereten.”

Wat wil Degens uiteindelijk bereiken met zijn aanklacht? En heeft hij zoveel jaar na dato nog wel een poot om op te staan? “Toen ik ’t weer besefte, ben ik zelf op onderzoek uitgegaan, heb ik leeftijdgenoten en oud-clubgenoten van SVK aangesproken of mannen in buurt waar ik vandaan kom, met wie ik ben opgegroeid. En wanneer ik aan hen mijn verhaal vertelde, zei iedereen meteen maar één ding: pater Sjors! Er bestaan dus nog getuigen genoeg. Maar of ze openlijk uit de kast durven komen, weet ik niet.”

Hij is niet meteen uit op schadevergoeding, als mensen dat denken. “Maar ik wil dit dossier wel graag met een goed gevoel afsluiten, ik wil genoegdoening, het idee hebben dat ik er alles aan heb gedaan, niet alleen voor mezelf, maar ook voor de anderen die niet uit de kast durven komen. Het heeft nagenoeg mijn hele leven verwoest, sindsdien ben ik een schuchter, afwerend dier, heb ik nergens van kunnen genieten. Ook niet hiervan.”

Met een plof geeft de ExProf een klap op een flinke stapel plakboeken die hij heeft meegenomen in een Aldi-tas. De knipselmappen zijn ooit in ademloze adoratie bijgehouden door een neefj e. “Het leven van mijn peetoom Leo in de voetbalwereld als fullprof bij Roda JC.” Met dit korte voorwoord begint deel één van een hele reeks voetballerssprookjesboeken. Ze puilen uit van de triomfantelijke foto’s en lovende berichten, voetbalverslagen waarin Degens de stabiele nummer 3 is, een verdediger op wie je altijd kon rekenen. Alle goede spitsen hadden het destijds moeilijk met hem en maar weinig directe tegenstanders konden na de wedstrijd vertellen dat ze de Beer van Kaalheide waren gepasseerd. En ook best bijzonder: ondanks zijn onverschrokken slidings liep hij nooit tegen ’n rode kaart aan en waren de gele kaarten op één hand te tellen.

We lezen er de krantenknipsels maar eens op na: “Gunstige uitzondering in het afb reken van Sparta-aanvallen was Leo Degens, die terecht vaker de handen op elkaar kreeg.” Of, dit is een onderschrift bij een foto van Roda JC-Ajax, tijdens zijn laatste seizoen, 1984/1985: “Lei Degens stopt Marco van Basten en zo te zien is hij goed geconcentreerd.”

En de zeldzame keren dat hij scoort, staat er te lezen: “Van de vijf goals die Roda JC gisteren tegen FC Groningen produceerde, was de eerste misschien wel de mooiste. En die kwam van de voet van Leo Degens, die van 25 meter afstand genadeloos hard uithaalde.” Dat was in augustus 1982. “Roda gewonnen met 5-1!” krabbelde zijn neefje juichend in het plakboek van zijn oom.

Nu is het 2017, en Degens vermoedt dat hij inmiddels met 5-1 heeft verloren van het leven, als het scorebord niet een groter verlies aangeeft. Maar goed, toevallig speelt Roda JC vanavond voor de beker ook weer tegen FC Groningen. En ja, daar gaat hij zeker heen. Hij heeft voor de rest van zijn leven een jaarkaart gekregen van zijn oude club: “Dat is toch wel het minste dat ze voor hun oud-spelers kunnen doen.” En de eenzame avonden moeten worden gevuld, dus is zo’n wedstrijd een welkom verzetje. En ja, hij herinnert zich ook nog dat doelpunt. Hij glimlacht er zelfs even bij als hij erover vertelt: “Ik was verdediger, heb in totaal maar drie goals gemaakt, maar deze tegen Groningen was de beste, echt een keiharde streep in de bovenhoek.”

Maar dan betrekt zijn gezicht weer, worden zijn ogen waterig, herhaalt hij nog eens dat al dat succes hem nooit bevrediging of trots heeft gegeven. Zijn zegetocht in het voetbal bezorgde hem eerder last. “Ik had ongelooflijk veel faalangst. Fysiek was ik sterk, maar mentaal kon ik het moeilijk opbrengen. Ik verbaasde me altijd dat de andere voetballers een uur voor de wedstrijd nog moppen konden tappen. Het zweet brak me uit als ik het veld op stapte: ik kan het niet, ik kan het niet, dacht ik dan. Dat begon al drie, vier dagen voor de wedstrijd. Dan was ik onuitstaanbaar voor iedereen, prikkelbaar, ik moest veel braken, zonderde me af, was onaardig voor mijn toenmalige vrouw, was alleen maar met voetbal bezig, met de aankomende wedstrijd. Als ik er nu over praat, voel ik opnieuw de kramp in mijn maag.”

Pas als het fluitsignaal voor het begin van de wedstrijd had geklonken, kon Degens zijn zenuwen vergeten, zette hij de knop om, kon hij bouwen op zijn wedstrijdmentaliteit. “Dan was het gewoon gaan, alsof ik mezelf voor twee keer drie kwartier kon verhuizen naar een andere wereld.”

En hij deed het ook voor zijn vader, die nooit een wedstrijd van zijn zoon wilde missen. “Ik wist altijd precies waar hij stond op de tribune. Als ik het veld op kwam, gaf ik ’m een seintje, zo van: pap, ik zie je zitten. En ineens was de angst weg, wist ik zeker: ik kan vandaag niet slecht spelen. Mijn vader was mijn mascotte. Hij heeft altijd met me gepronkt, tot op het overdrevene af. Voor hem was ik bij Roda de beste, de enige die kon voetballen leek het wel. Ik moest ’m telkens weer duidelijk maken: ‘Pap, het is een teamsport, we zijn met z’n elven.’ Hij kwam naar alle trainingen, hij zat zo op mijn huid, dat ik weleens heb gezegd: ‘Pap, ga alsjeblieft even wat anders doen, laat me los.’ Maar ik deed het wel voor hem, voor mannen zoals hij. Ik wou niet falen, wou Kerkrade laten zien: wat jullie onder in de mijnen hebben gepresteerd, dat zal ik ook op het veld tonen.”

Local hero, papa’s kindje, al die aandacht voor oogappel Leo gaf binnen het gezin Degens regelmatig scheve ogen. “We hadden zes kinderen thuis, maar het draaide voornamelijk om mij. Ik kreeg met zestien jaar een brommer en op mijn achttiende een auto van mijn vader. Mijn zussen en broers zeiden later: ‘Jij kreeg altijd biefstuk en wij moesten blij zijn met speklapjes.’ Kreeg ik dat weer op mijn brood gesmeerd – ‘jij mocht dit, jij mocht dat’. Wat kon ik eraan doen? Het was alsof ik me daar schuldig over moest voelen. Ik ging me schamen voor mijn talent, mijn succes.” Als Leo Degens negentien is, wordt hij geselecteerd voor Jong Oranje. Elke jeugdige voetballer zou een gat in de lucht springen. Degens niet. “Ik moest me in Zeist melden voor een interland. Thuis hing een mooi officieel KNVB-pak in de kast met de leeuw erop; dat moest je aandoen als je op trainingskamp ging in Zeist. Maar ik durfde er niet mee de trein in. Ik was bang dat iedereen zou denken: o, dat is Leo, die moet zo nodig boven ons uitsteken in dat pak. Mijn vader begreep er niks van, maar ik heb hem toen een grote, lange jas laten kopen zodat niemand op straat kon zien dat ik bij Jong Oranje zat.”

En dan was er van huis uit nog een andere grote druk die op zijn schouders rustte. Als hij veertien is, overlijdt zijn tweelingzusje na een verkeersongeluk. “Ik heb haar negen maanden zien vechten voor het leven. Tweelingen zijn heel erg met elkaar verbonden, dus elke keer als ik het ziekenhuis verliet, dacht ik: ik moet net zo hard knokken als zij. Dat gevecht uitte zich dan op het voetbalveld. En toen ze toch stierf, dacht ik de hele tijd dat ik een gat moest opvullen, dat ik me moest waarmaken voor twee mensen, voor mijzelf en voor mijn overleden zus.”

Eigenlijk was hij nog veel te jong om te stoppen met voetballen; als je 27 bent kun je heus nog wel een aantal jaren mee. Degens wilde het dan ook eerst niet geloven dat het plotseling ophield vanwege vroeg versleten heupen. “Ik had al twee jaar veel last van pijn in mijn liezen en onderrug. Eerst ga je door de pijngrens, krijg je spuiten om maar wedstrijdfit te blijven. En je wilt je niet laten kennen. Onder trainer Bert Jacobs kregen we militaire, bijna onmenselijke oefeningen. Dan moest ik met een boomlange Dirk Nanninga op mijn rug over de hei rennen. Mijn gestel kraakte, maar je moest door, protesteren deed je niet. Bij mijn zoveelste bezoek aan de clubarts werd er gezegd: einde oefening. Maar ik wou Roda niet verlaten, ben voor een second opinion nog naar een Zwitserse specialist geweest in het academisch ziekenhuis in Utrecht. Ik zei niet dat ik profvoetballer was, dus op een gegeven moment vroeg die man: ‘Was machen sie beruflich?’ Hij schrok enorm van mijn antwoord en zei: ‘Sie haben schwere Hüftprobleme.

Tut mir Leid, Fussball können sie ab jetzt vergessen.’”

De echo van die woorden gonst nog steeds in zijn hoofd. En er klinkt ook enige wrok door in zijn verhaal als hij vertelt hoe zijn club hem vervolgens behandeld heeft. “Goed, via Roda was er een administratieve baan voor mij geregeld bij een afdeling van Defensie in Kerkrade. Ik moest de jaarlijkse lichtingen van dienstplichtigen samenstellen, gewoon saai kaartenbakwerk. Dat was voor mij de hel. Wat moest ik met die ambtenarenmentaliteit? Een voetballer heeft toch niks te zoeken op een kantoor, die kan toch niet voor ’n baas werken? En waar moest ik mijn energie aan kwijt?”

Maar de baan betaalde aardig en aanvankelijk zag zijn financiële positie er nog best rooskleurig uit. “Ik ontving van Roda een compensatie van mijn oude voetbalsalaris en ik had zo’n 75.000 gulden gespaard. Dat was voor die tijd best een aardig bedrag. Maar kort nadat ik was afgekeurd, kwam er bij Roda JC een belastingfraudezaak aan het licht. De club had zijn spelers jarenlang deels zwart betaald, daar hoorde ik ook bij. Die 75.000 gulden mocht ik als schikking meteen weer inleveren bij de FIOD.”

Leo Degens in zij Roda JC-tijd

Over dat materiële verlies is hij allang heen, er is iets anders dat hem nog steeds dwarszit. “Wat ik van Roda niet begrijp, is dat het na mijn laatste wedstrijd meteen uit het oog, uit het hart was. Iemand als ik, die nooit naar een andere club is verhuisd, op wie ze altijd konden rekenen, die bied je toch een functie aan binnen de club. Ze hadden me moeten begeleiden om terug te keren in de staf: jonge spelers scouten, de jeugd trainen, zoiets. Had ik graag gewild, want je hebt een Roda-hart of niet. Maar ik ben nooit gevraagd, tot op de dag van vandaag niet.”

Dat is niet helemaal waar, blijkt later. Vorig jaar nog, vlak voordat hij wegzonk in een diep dal en toen ze ook bij Roda JC wel zagen dat het slecht met ’m ging – regelmatig verscheen hij bij wedstrijden straalbezopen in het oud-spelershome – kreeg hij een aanbod van algemeen directeur Wim Collard. “Hij nodigde me uit om bij Roda de no walking-voetballers te begeleiden. Dat zijn 55-plussers die niet meer mogen rennen, amper bewegen, alleen een balletje heen en weer tikken. Ze dachten natuurlijk: daar vragen we die Degens voor met zijn plastic heupen. Nou, toen heb ik gezegd: zoek daar een andere mongool voor!”

Maar van die afwijzing heeft hij achteraf best een beetje spijt. Leo Degens probeert zijn leven weer op te pakken, een weg terug te zoeken naar de maatschappij, naar zijn oude club, en dan is zo’n baantje – met ziekenhuisvoetbal of niet – toch een kans, bedenkt hij nu. “Een beetje fout van mij, ik ben koppig, ik heb die functie te impulsief, te snel afgeslagen. Wie weet kan zoiets mijn leven toch verrijken.”

Hij wijst naar buiten, naar het uitgestorven plein van de Kerkraadse Markt. Er strompelt een bejaarde man voorbij die voetje voor voetje zijn rollator voortduwt. Scootmobiels, rollators, rolstoelen, krukken, wandelstokken, het wemelt ervan in deze stad; als je niet met de lasten van de ouderdom geconfronteerd wilt worden, kun je hier maar beter wegblijven.

Degens klinkt ineens vitaal: “Ik wil leven! Zestig jaar heb ik eigenlijk niet geleefd. Kijk, die ouwe man achter zijn rollator, die was vijftien jaar geleden ook zestig. Toen liep hij nog gezond en wel rond. De jaren vliegen om. Het leven is net een Limburgse vlaai; driekwart daarvan heb ik al achter de kiezen en het smaakte nergens naar. Ik heb nog een kwart vlaai over, die moet lekker worden. Ik wil eindelijk genieten. Elk verjaardagskaarsje dat ik straks op dat stuk taart zet, wil ik feestelijk uitblazen. Echt, voor minder doe ik het niet.”