Door: Danny van der Linden

Je spreekt niet elke dag iemand die Piet Dumortier nog heeft zien voetballen, actief was tijdens de invoering van het betaalde voetbal in Utrecht en de jeugd van FC Utrecht nog steeds op de voet volgt. Jan Oliekan is zo iemand. De oud-voetballer van DOS en Blauw Wit (Amsterdam) woont momenteel in Utrecht en kijkt met plezier terug op zijn voetbalcarrière.

Jan Oliekan anno 2017. FOTO: Danny van der Linden.

“Als jong jochie was ik al gek van voetbal,” vertelt Oliekan meteen bij binnenkomst. De ontvangst is hartelijk. Er wordt thee gezet en de plakboeken met oude foto’s en programmaboekjes liggen al klaar. “Ik woonde in de buurt van Piet Dumortier op de Vlijtstraat, bij de Eerste Daalsedijk. Die had een sigarenzaak op de Amsterdamse Straatweg en woonde in de Tuinbouwstaat. Piet is de allerbeste voetballer die de stad Utrecht ooit heeft gehad.” Hoewel het moeilijk is om voetballers met elkaar te vergelijken, is de naam van Dumortier, bijnaam Rooie Piet, een bekende. Het nadeel is alleen dat de lange aanvaller van DOS uitkwam in een periode waarin er bijna nooit een camera op het spel gericht werd. “Als kind liep ik altijd met de spelers van DOS mee naar het station. Voetballers gingen toen nog per trein naar uitwedstrijden. Ik vroeg dan of ik de tas van een speler, het liefst Piet, mocht dragen. Zo kon je mee en mocht je gratis het stadion in omdat ze bij de tegenstander dachten dat je een kind van een van de spelers was.” Het zijn hele andere tijden. Dat is niet gek.

Jan Oliekan is in 1927 geboren. Met zijn jeugdheld Piet Dumortier loopt het niet fijn af. Op 6 april 1945 komt er op trieste wijze een eind aan het leven van de pas 29-jarige Piet Dumortier. Hij was struma-patiënt, hetgeen ook op het veld doorgaans zichtbaar was; meestal speelde hij met een shawl onder zijn geel-zwarte DOS-shirt. In het laatste oorlogsjaar lag Dumortier met difterie aan een ijzeren long in het ziekenhuis. Door een bomalarm ontstond een stroomstoring, waardoor de ijzeren long niet meer werkte en Dumortier stikte. De dood van de lange, maar technisch zeer bekwame midvoor schokte Utrecht. DOS verzorgde de begrafenis van de man die een sigarenwinkel dreef. Met een bal in zijn handen en gekleed in het tenue van DOS werd de bescheiden en uiterst populaire voetballer begraven. Zijn beeltenis is in brons gegoten en siert het graf, dat ook een monument van DOS is. Oliekan is zijn held nooit vergeten: “Mijn ouders liggen op dezelfde begraafplaats aan de Opaalweg. Altijd als ik hun graf bezoek loop ik ook even langs het graf van Piet Dumortier.”

Na de oorlog blijkt Jan Oliekan zelf ook over voetbaltalent te beschikken. “Iedereen voetbalde. Op school voetbalde je in het speelkwartier en na schooltijd op straat. Als je de juiste leeftijd hebt bereikt, mag je lid worden van een club. Oliekan wordt lid van DOS, dat ook dan al op de Thorbeckelaan speelt. ,,Ik heb altijd samen met Cor Luiten gespeeld. Ook in de jeugd al. Cor liep linksbuiten en ik rechtsbuiten. Cor is ook vroeg overleden. (1978, DvdL) Blijkbaar had ik enig talent, want ik kwam in het eerste terecht,” zegt Oliekan.

Het kampioenselftal van DOS met staande, vierde van rechts, Jan Oliekan.

Hij komt bij DOS terecht en speelt samen met mensen als Henk Temming (“Ik denk dat Henk en ik momenteel de oudsten zijn”), Ton van der Linden en Gerrit Krommert. Inderdaad: de iconen die in 1958 landskampioen worden met DOS. Zelf is Oliekan dan net gestopt met voetballen op hoog niveau. “Het voetbal was toen nog echt voetbal. Het was niet zo rot als tegenwoordig. Als je nu kijkt naar die Guardado van PSV. Die is altijd met zijn knie op zoek naar je dijbeen. Dan is de tegenstander uitgeschakeld. Dat is me al een paar keer opgevallen. Vroeger was het sportiever. En als je een beetje wild was werd je door de leider gewisseld. Dan mocht je je gaan aankleden. Trouwens: Henk Temming kon er ook wat van, net als Joop van Basten. Dat waren hard voetballers.”

Begin jaren ’50 wordt de roep om betaald voetbal steeds groter. De KNVB wil van niets weten en bestraft zelfs voetballers die om geld spelen in het buitenland. Er ontstaat een beroepsvoetbalbond, die ook wel ‘de wilde bond’ wordt genoemd. Oliekan twijfelt niet lang als hij wordt gevraagd betaald voetballer te worden. Vanzelfsprekend is dat niet. Veel voetballers blijven amateur bij hun club. Hans Kraay ziet de stap wel zitten, maar mag niet van zijn ouders die vinden dat Kraay DOS trouw moet blijven. Profclub Utrecht krijgt wel de handtekening van onder anderen Van Basten en Oliekan. “We gingen spelen op het veld van RUC in Jutphaas”, herinnert Oliekan zich nu. “Ik dacht: misschien kan ik wat verdienen.”

Na een aantal maanden besluiten de voetbalbonden samen te gaan. Profclub Utrecht gaat een fusie aan met Elinkwijk en veel Utrechtse voetballers keren terug naar hun oorspronkelijke clubs. Vanaf 1954 wordt er in Nederland officieel betaald voetbal gespeeld. Niet dat spelers er rijk van werden. Jan Oliekan werkte gewoon als buschauffeur tijdens zijn loopbaan als voetballer. “Doordeweeks vervoerde ik de mensen die op zondag naar me kwamen kijken op het voetbalveld,” zegt hij lachend.

Jan Oliekan maakt de periode als betaald voetballer trouwens mee bij Blauw Wit in Amsterdam. “Die wilden me graag hebben en kwamen met me praten. Dus toen ben ik daar gaan voetballen.” Op de vraag of het leuk was in Amsterdam, trekt Oliekan een ietwat bedenkelijk gezicht: “Ach, het was wel gezellig. Maar Amsterdammers zijn toch anders hoor.”

Anno 2017 volgt Jan Oliekan het voetbal nog steeds op de voet. Over FC Utrecht: “Ayoub vind ik een goede voetballer. Hij heeft een goede techniek. Wist je dat ik nog elke zaterdag naar Zoudenbalch ga om naar de jeugdwedstrijden van FC Utrecht te kijken? Volgens mij zitten er best goede talenten bij hoor.” Tijdens het gesprek bladert Oliekan met plezier door zijn plakboeken en haalt hij herinneringen op. “Mijn kleinzoons willen de plakboeken graag hebben. Dat mag hoor. Over een tijdje.”

http://www.dannyvanderlinden.com/