Barry Hulshoff. FOTO: Jacques Kattenburg.

Door Tieme Woldman

‘Ik heb Barry Hulshoff nooit gesproken, maar toch mocht ik Barry tegen hem zeggen, dat weet ik zeker. Ergens in de zomer van 1976 zag ik hem in Drenthe met Ajax warmdraaien voor het volgende seizoen. Dwars door zijn woeste krullen en baard heen straalde de vriendelijkheid van een man die boodschappen deed voor bejaarde buren en zijn laatste gulden aan een dakloze gaf. Maar om die reden hing hij niet naast een Ford Mustang boven mijn jongensbed. Barry hing daar omdat hij mijn ticket naar Ajax was. En dat gold voor alle jongens zoals ik die wel de gretigheid hadden om prof te worden, maar in de verste verte niet het talent. Ik kon mij met geen mogelijkheid identificeren met goddelijke voetballers als Cruijff en Keizer, maar de stap naar Barry was te doen. Een gewone jongen, een sterveling. Een schaar of een volley zaten niet in dat lange lijf van hem en toch was hij een zekerheidje in het Gouden Ajax van de jaren zeventig op basis van de drie i’s en o’s: inzet, inzet en inzet gecombineerd met onverzettelijkheid, onverzettelijkheid en onverzettelijkheid. En dat was haalbaar voor iemand als ik. Tuurlijk, Barry kopte ook nog eens als een kerel met een timmermansoog en had een krakend schot, maar dat leerde ik onderweg wel bij en zo liet Barry duizenden jongens dromen die eigenlijk voorbestemd waren voor hooguit het eerste elftal van een middelmatige vierdeklasser. Jan Wouters en Berry van Aerle hadden zonder Barry nooit tot de absolute top aan toe doorgezet. Als ik Berry van Aerle was, schreef ik mijn voornaam steevast met een a.

Uit de grond van mijn hart zeg ik dan ook: Barry, bedankt! Bedankt voor dat jij de droom om prof te worden voor iedere jongen bereikbaar maakte. Voor mij bleef het daarbij, ik had zo weinig talent dat ik met inzet en onverzettelijkheid niet eens het eerste van mijn vierde klasse cluppie haalde. Maar in gedachten hang jij nog boven mijn bed. Een jeugd zonder dromen is een voetbalveld zonder doelen. Jij was mijn doel en voor jou doe ik gewoon alsof de hemel bestaat. Ik zie zo voor me hoe je afgelopen zondag op de poort klopte:

‘Hé, Petrus.’

‘Hé, Barry.’

‘Waar moet ik heen, Petrus?’

‘Ga daar aan het eind maar rechtsaf, Barry, jij mag voor altijd bij de godenzonen.’