Door: Maarten Bax

Het is vandaag precies 28 jaar geleden dat Radjin de Haan aan de dood ontsnapte. Op 7 juni 1989 stortte een Douglas DC8 Super 69 door dikke mist neer in Suriname. Aan boord waren 178 passagiers, waaronder het Nederlands Kleurrijk elftal. Alle bemanningsleden en bijna alle passagiers kwamen om het leven. De Haan was een van de elf die de ramp overleefde. Het heeft zijn leven veranderd. “Nee, ik ga niet door roeien en ruiten. Na zo’n ramp maak je je nergens meer druk om.”

Radjin de Haan op de bank bij Amstelveen Heemraad

De geboren en getogen Haarlemmer met Surinaamse roots is inmiddels al 47 jaar en trainer van AmstelveenHeemraad, een zaterdag-tweedeklasser. Daarvoor was hij onder meer werkzaam in Libië. Toen daar de oorlog uitbrak moest hij vluchten. Interessant was de periode van ruim twee jaar in Libië wel. De Haan, die er hoofd jeugdopleidingen was: “Al Ahly is de beste club in Libië. In elke lichting zitten internationals. Het eerste elftal speelt op het niveau van de onderkant van onze eredivisie. We hadden fantastische faciliteiten, maar in het land was niet veel te doen. Je hebt er geen bars, discotheken, bioscopen… Het enige wat je kan doen is winkelen of buiten met vrienden koffie drinken. Eenmaal per dag trainden we, als er tenminste niet gevochten werd. Bij die gevechten had je soms wel drie dagen geen trainingen. Tijdens wedstrijden werd er regelmatig eindeloos geschoten, ook vlakbij het stadion. Dan vochten de milities weer tegen elkaar. Ik droeg geen kogelvrij vest, maar als het echt te gevaarlijk was, bleef ik thuis. Iedereen loopt daar met een pistool of een geweer. Nee, wij niet, maar onze assistent wel. Je moet altijd oppassen. De mensen zijn daar heel impulsief. Ze doen eerst en denken daarna pas. En nu Islamitische Staat daar aanwezig is, is het gevaar nog groter.”

Het is inmiddels bijna 28 jaar geleden dat het toestel van de SLM neerstort bij de landing in Paramaribo. Radjin de Haan maakt deel uit van het Kleurrijk Elftal, een team van in Nederland wonende (prof)voetballers met Surinaamse roots, dat aan een toernooi zal deelnemen. Tussen de wrakstukken en de lijken wordt De Haan wakker van het geschreeuw van een jongetje dat om zijn vader en moeder roept. “Ik ben gelijk met dat kind van het wrak weggelopen. Reddingswerkers hebben me opgevangen. Een van ruggenwervels en mijn schouder waren gebroken. Veel erger was natuurlijk dat ik een paar bekenden had verloren. Florian Vijent en coach Nick Stienstra waren er plotseling niet meer. Van de selectie hebben alleen Edu Nandlal,  Sigi Lens en ik het overleefd. Ik was pas achttien, en ik vloog – na twee eerdere reizen als kind – voor het eerst bewust naar Suriname. Ik had al zo’n slecht voorgevoel. Op Schiphol hadden we twaalf uur vertraging. Toen ik in die verloren tijd even naar huis ging om te voetballen, brak mijn ketting, een ketting met een zwarte kraal. Een teken van onheil. Het vliegtuig zelf leek met de hand geschilderd, zo oud zag het eruit. Ik wist dat er iets niet goed zat.”

Zijn moeder stond de volgende dag al naast hem in het ziekenhuis van Paramaribo. Duidelijk was dat De Haan zo snel mogelijk naar Nederland vervoerd moest worden. “De plastic handschoentjes van de verpleging hingen aan de waslijn te drogen. De röntgenfoto was helemaal zwart. Nee, de medische zorg was er niet optimaal.” En ja, natuurlijk veranderde het leven na zijn revalidatie enorm. “Altijd blijft deze ramp in mijn geheugen gegrift. Je naam wordt er ook altijd aan verbonden. Daar kom je niet onderuit,” zegt De Haan opvallend nuchter. “Maar het is al zo lang geleden. Je moet verder. Gelukkig ben ik van huis uit al vrij relaxed. Toen ik in het VU-ziekenhuis lag, ben ik één keer naar de psycholoog geweest. Maar dan zit je met iemand te praten die er zelf niet bij was. Ik had eigenlijk maar een doel: zo snel mogelijk weer voetballen. Na zes maanden stond ik weer op het veld. Elk jaar ga ik nog naar de kranslegging in het Oosterpark. Maar dat doe ik eigenlijk alleen voor de overledenen en de nabestaanden, niet voor mezelf.”

Na het ongeluk voetbalde de Telstar-verdediger nog een paar jaar, onder meer bij FC Lisse en FC Eindhoven. Toen hij er op een gegeven moment gee zin meer in had, stopte hij. Degradatievoetbal was nooit leuk. Al vroeg koos hij voor een loopbaan als trainer. “Want voetballen is mijn ding. Ik heb ook nooit een ander beroep gehad, en ik weiger iets te doen waar ik geen zin in heb. Dat heb ik wel aan de ramp overgehouden. Je denkt: ‘Als iedereen maar gezond is.’ Als mijn team verloren heeft, ben ik het ook zo weer vergeten. Ik ga ervan uit dat iedereen zijn best heeft gedaan. Klaar.” Om er snel aan toe te voegen: “Maar ik ben wel bloedfanatiek, hoor. Ben een echte winnaar. Ik ben altijd met mijn vak en hobby bezig. Het spelletje laat me geen seconde met rust.”