Column: Jeroen Franken

Jeroen Franken

“Voetbalvereniging St. Martinus aan de Amsterdamseweg in Amstelveen. Zaterdagochtend vroeg, ik denk dat het een uur of negen moet zijn geweest. Weekend na weekend bracht ik als kind door op de club, maar deze zaterdag zal ik nooit vergeten. Ik denk dat ik een jochie was van een jaar of negen, hooguit tien. Bij binnenkomst in de kantine merkte je al dat er een andere sfeer hing dan gewoonlijk het geval was.

Aan beide uiteinden van de bar zaten enkele mensen die net een dampend kopje koffie voor zich hadden staan. Maar in het midden van de bar, helemaal in z’n eentje, zat ie dan. Centraal in het midden aan de bar. Ik zie hem er voor aan dat hij de barkrukken heeft geteld om er zeker van te zijn dat hij de middelste had. En zo hoort het ook. Een absolute wereldspits is gewend om in het midden te staan en gaat dus ook niet aan de zijkant van een bar zitten. En hij al helemaal niet. De traditionele regenjas hield hij aan en een sigaret lag te smeulen in de asbak voor hem. Dat klinkt nu wellicht als een Cruijffcliché, maar het was nou eenmaal zo. Tante Trees schonk hem zijn kopje koffie in en er klonk een bescheiden ‘Dank u wel mevrouw’ uit zijn mond.

Geen idee meer hoe ik ooit aan pen en papier ben gekomen, laat staan waar ik überhaupt het lef vandaan heb gehaald. Het was er gewoon plotseling; de pen, het papier en het lef om het te vragen. ‘Meneer Cruijff, mag ik alstublieft een handtekening van u?’ Sommige bekende Nederlanders staan bekend om hun norsheid in zo’n geval, maar voor Cruijff gold absoluut het tegenovergestelde. ‘Tuurlijk jongen, geef maar hier’ was zijn antwoord en hij zette zijn krabbel op het kleine papiertje. ‘Alsjeblieft jongen’ en als toegift kreeg ik ook nog een aai over mijn bol en een glimlach van hem. Tot op de dag van vandaag heeft die aai over mijn bol en zijn vriendelijke glimlach de meeste indruk op mij gemaakt. Trots als een pauw liep ik terug naar mijn vriendjes om de zojuist gescoorde handtekening van Johan Cruijff te laten zien. Mijn weekend kon niet meer stuk.

Jarenlang heeft de krabbel van Cruijff bij mij aan de slaapkamermuur gehangen. Met een plakbandje wat met de tijd slechter en slechter werd, waardoor zijn krabbel regelmatig op de grond belandde. Mijn vader heeft verjaardag na verjaardag en aan iedereen die het maar wilde horen, verteld dat ik Cruijff om zijn handtekening had gevraagd. Zijn held was het al jaren, mijn held was het pas sinds die ene zaterdagochtend. Als jochie van negen wist ik dan wel wie Cruijff was, maar had ik natuurlijk nog geen enkel benul wat deze man had betekend en nog zou gaan betekenen. Ik vond het gewoon een hele aardige man die de tijd nam voor een krabbel. En voor een aai over mijn bol en een glimlach.

Jaren later zat ik in een training voor mijn werk en werd aan de groep gevraagd wie onze helden waren. Na de gebruikelijke Steve Jobs en Bill Gates antwoorden van mijn medecursisten, kwam mijn antwoord toch enigszins als een verrassing voor hen: Johan Cruijff. De cursusleider begon direct een vaag en ongevraagd verhaal over Cruijff en zijn visionaire blik, intrinsieke waarden en vasthoudendheid. Toen de beste man mij uiteindelijk vroeg of Cruijff daarom ook mijn held was, moest ik dat ontkennen. Ik vond het gewoon een hele aardige man die de tijd nam voor een krabbel, een aai over je bol en een glimlach.”